Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200906458/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 00828106, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Weststellingwerf (hierna: de raad) bij besluit van 15 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ter Idzard".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/1275 met annotatie van G. van den End
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906458/1/R2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Ter Idzard, gemeente Weststellingwerf,

2. [appellant sub 2], wonend te Ter Idzard, gemeente Weststellingwerf,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 00828106, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Weststellingwerf (hierna: de raad) bij besluit van 15 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Ter Idzard".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2010, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en [appellant sub 2] zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] kunnen zich niet verenigen met de wijzigingsbevoegdheid voor de percelen ten westen van de Hamersweg en ten zuiden van de Idzardaweg, die het mogelijk maakt om de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Woongebied". Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte is uitgegaan van de bouwcontour uit het Structuurplan. Nu hiertegen geen rechtsbescherming heeft opengestaan zijn zij van mening dat zij in deze procedure kunnen aanvoeren dat de omvang van deze contour daarin onjuist is vastgelegd. Verder voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] aan dat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende is begrensd. Uit het plan blijkt volgens hen onvoldoende wanneer en hoe gebruik zal worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Daarbij merken [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op dat het college goedkeuring heeft verleend aan het realiseren van incidentele woningbouw van in totaal ongeveer 5 tot 6 woningen terwijl de wijzigingsbevoegdheid deze beperking niet kent.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de afweging om ter plaatse woningbouw toe te staan in het Structuurplan is gemaakt en dat het plan binnen de daarin opgenomen bouwcontour past. Voorts stelt het college dat de wijzigingsbevoegdheid voldoende is begrensd. In dit verband merkt het college op dat eventuele woningbouw onder meer moet passen in het Woonplan, waarmee het college moet instemmen. Voorts zal de wijzigingsbevoegdheid alleen dan worden gebruikt wanneer sprake is van een plaatselijke behoefte. Volgens het Woonplan komt dit neer op ongeveer één woning per jaar voor Ter Idzard, aldus het college.

2.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid van de WRO, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.5.1., onder b, van de planvoorschriften kan, voor zover hier van belang, de bestemming van agrarische cultuurgronden ter plaatse van de aanduiding "wijzigingsgebied naar woongebied" worden gewijzigd in de bestemming "Woongebied", mits:

1. de wijziging past binnen het Woonplan waarover met gedeputeerde staten overeenstemming bestaat;

[…]

2.3.2. De Afdeling overweegt dat noch in het plan noch in het gemeentelijke Structuurplan de aanvaardbaarheid van woningbouw in het gebied van de wijzigingsbevoegdheid is onderbouwd. Anders dan het college in navolging van de raad stelt, kan ter onderbouwing van de reikwijdte en de ligging van het gebied van de wijzigingsbevoegdheid derhalve niet slechts naar de bouwcontour uit dit Structuurplan worden verwezen. Nu het college hiermee toch heeft volstaan acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

2.3.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.4. De Afdeling stelt voorts vast dat in de wijzigingsbevoegdheid geen maximum aantal woningen is opgenomen dat na wijziging kan worden verwezenlijkt. Voorts zijn de door het college genoemde voorwaarden dat de bevoegdheid alleen zal worden toegepast voor incidentele woningbouw en indien de noodzaak hiertoe met het oog op de plaatselijke behoefte van Ter Idzard is gebleken, niet als criteria in de bepaling opgenomen.

Voor zover het college in navolging van de raad heeft gesteld dat het ontbreken hiervan niet onaanvaardbaar is gelet op de verwijzing naar het Woonplan, is de Afdeling van oordeel dat deze verwijzing niet voldoende rechtszekerheid biedt.

Hiertoe is allereerst van belang dat ter zitting is komen vast te staan dat met het in de wijzigingsbevoegdheid bedoelde Woonplan wordt bedoeld het Woonplan zoals dit is vastgesteld op 11 februari 2009, of zoals dit nadien gewijzigd zal worden vastgesteld. Dit betekent dat de inhoud van de wijzigingsbevoegdheid, onafhankelijk van de daarvoor vereiste procedures, met een actualisering van het Woonplan kan worden gewijzigd, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 11 van de WRO.

Daarnaast bevat het Woonplan zelf evenmin concrete voorwaarden die ter toets kunnen dienen bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Dat het Woonplan de instemming van het college behoeft, kan dit gebrek niet helen aangezien, uit het oogpunt van rechtszekerheid, op voorhand dient vast te staan onder welke voorwaarden en onder welke omstandigheden het plan kan worden gewijzigd. Dit kan niet afhankelijk worden gemaakt van externe factoren waartegen voor belanghebbende geen rechtsbescherming openstaat.

Tot slot heeft het college noch de raad duidelijk kunnen maken wanneer sprake is van een plaatselijke behoefte die woningbouw rechtvaardigt zoals bedoeld in het Woonplan, en daarmee evenmin hoe de prognoses ten aanzien van de behoefte tot stand komen. Dit klemt te meer gelet op de relatief grote omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in verhouding tot Ter Idzard als geheel.

Gelet op het voorgaande is in de wijzigingsbepaling in onvoldoende mate bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik wordt gemaakt zodat de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan, voor zover betrekking hebbende op de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid naar woongebied" en de artikelen 3.5.1. en 3.5.2. van de planvoorschriften, is vastgesteld in strijd met artikel 11 van de WRO. Door deze planonderdelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Tevens ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan deze planonderdelen te onthouden.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 23 juni 2009, voor zover het betreft de goedkeuring van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid naar woongebied" en de artikelen 3.5.1. en 3.5.2. van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde planonderdelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 23 juni 2009;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Langeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

317-647.