Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200904528/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellant] een boete opgelegd van € 20.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904528/1/V6.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 2009 in zaak nr. 07/3900 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellant] een boete opgelegd van € 20.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2009, verzonden op 20 mei 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de opgelegde boete tot een bedrag van € 16.000,00 verminderd en bepaald dat de uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.W. Stiekema, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265), op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid,voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00, gesteld per persoon, per beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.

Ingevolge artikel 43, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden.

Ingevolge artikel 49, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 56, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Ingevolge Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen (hierna: Bijlage XII), onderdeel 2, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Polen en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag, thans na wijziging, artikel 45, eerste lid, het VWEU, slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Polen, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Poolse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.

Nederland heeft ingevolge Bijlage XII de mogelijkheid om het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, thans na wijziging, artikel 45, eerste lid, het VWEU, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 mei 2007 gehandhaafd (Kamerstukken II, 2003/04, 29 407, nr. 1 e.v.).

In Bijlage XII is tussen Polen en Nederland geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van vestiging.

In het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04, Nadin en Durré, (www.curia.europa.eu) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EG van 20 november 2001, nr. C-268/99, Jany e.a., (www.curia.europa.eu) in punt 31 overwogen:

"31. Aangezien het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding in de zin van artikel 39 EG-Verdrag is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt, moet als een werkzaamheid anders dan in loondienst in de zin van artikel 43 EG-Verdrag worden aangemerkt, de activiteit die een persoon zonder gezagsverhouding uitoefent (zie arrest van 20 november 2001, Jany e.a., C-268/99, Jurispr. blz. I-8615, punt 34 en de aangehaalde rechtspraak)."

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 29 maart 2006 (hierna: het boeterapport) vermeldt dat [appellant] op 11 november 2005 vijf vreemdelingen van Poolse nationaliteit, te weten [vreemdeling sub 1]; [vreemdeling sub 2]; [vreemdeling sub 3]; [vreemdeling sub 4] en [vreemdeling sub 5]; hierna gezamenlijk: de vreemdelingen), arbeid heeft laten verrichten zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend. Het boeterapport vermeldt voorts dat de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 arbeid verrichtten bestaande uit het schoonmaken, weghalen van puin, algemene bouwwerkzaamheden, schilderen en het storten van beton. Uit de bij het boeterapport behorende verklaringen heeft de minister afgeleid dat de vreemdeling sub 5 evenzeer arbeid ten behoeve van [appellant] heeft verricht.

2.3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de minister de vreemdeling sub 5 ten onrechte niet als zelfstandige heeft aangemerkt. Daarom heeft zij de aan [appellant] opgelegde boete tot een bedrag van € 16.000,00 verminderd.

2.4. Gezien de onder 2.1. vermelde jurisprudentie van het HvJ EG, is voor beantwoording van de vraag of de werkzaamheden door de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 in de hoedanigheid van zelfstandigen zijn uitgevoerd, bepalend of sprake is van activiteiten die zonder gezagsverhouding zijn uitgeoefend, waarbij de vraag of de werkzaamheden onder eigen verantwoordelijkheid worden uitgeoefend een rol speelt en voorts de feitelijke situatie van belang is.

2.4.1. [appellant] betoogt tevergeefs, gelet op de onder 2.1. weergegeven Bijlage XII en het daarin genoemde voorbehoud bij het vrij verkeer van werknemers, dat een ongerechtvaardigde discriminatie plaatsvindt van Poolse burgers ten opzichte van Nederlandse onderdanen. De mogelijkheid om voor het vrij verkeer van werknemers beperkingen op te nemen vloeit rechtstreeks voort uit Bijlage XII.

Ook klaagt [appellant] tevergeefs dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 als dienstenverrichters in de zin van artikel 49 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 56, eerste alinea, van het VWEU moeten worden beschouwd. Er is geen sprake van door de vreemdelingen in Polen gevestigde en door hen daar uitgeoefende bedrijven, zodat van grensoverschrijdende dienstverrichting geen sprake is.

2.5. Aan het na bezwaar gehandhaafde besluit tot boeteoplegging heeft de minister ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, geen sprake is van het door de vreemdelingen verrichten van arbeid als zelfstandigen, omdat zij hun werkzaamheden niet zonder gezagsverhouding en onder eigen verantwoordelijkheid verrichtten. Volgens de minister bepaalden de vreemdelingen niet zelfstandig de te verrichten werkzaamheden, maar besprak [appellant] de werkzaamheden met de vreemdeling sub 5, die met de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 een verdeling van de werkzaamheden maakte. Volgens de minister hadden de vreemdelingen ook geen vrije keuze over de te ontvangen beloning voor de werkzaamheden, maar werd het uurtarief door [appellant] met de vreemdeling sub 5 afgesproken. Ook verrichtten de vreemdelingen de werkzaamheden niet onder eigen verantwoordelijkheid, aangezien niet gebleken is dat de vreemdelingen konden worden aangesproken op eventuele gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden. Dat de vreemdelingen sub 3, 4 en 5 met eenmanszaken stonden ingeschreven in het handelsregister betekent volgens de minister niet dat zij als zelfstandigen kunnen worden aangemerkt, aangezien zij niet in het bezit waren van een geldige Verklaring arbeidsrelatie van de Belastingdienst (hierna: VAR-verklaring). De vreemdelingen sub 1 en 2 kunnen niet als zelfstandigen worden aangemerkt, reeds omdat zij niet stonden ingeschreven in het handelsregister en evenmin in het bezit waren van VAR-verklaringen. Gelet hierop kunnen de vreemdelingen niet als zelfstandigen in de zin van artikel 43 van het EG-verdrag, thans, na wijziging, artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, worden aangemerkt en moet [appellant] als vergunningplichtig werkgever in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wav worden beboet, aldus de minister.

2.5.1. De rechtbank heeft - met inachtneming van het uit de onder 2.1. vermelde rechtspraak van het HvJEG voortvloeiende toetsingskader - overwogen dat, samengevat weergegeven, de bij het boeterapport behorende verklaringen van de vreemdelingen en [appellant] geen grond geven voor het oordeel dat de minister de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 ten onrechte niet als zelfstandigen heeft aangemerkt, nu de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 hun werkzaamheden niet zonder gezagsverhouding uitoefenden.

2.5.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vreemdelingen sub 1 tot en met 4 in dienst zijn van de vreemdeling sub 5, ontbeert feitelijke grondslag, nu de rechtbank dit niet heeft overwogen. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 niet als zelfstandigen kunnen worden aangemerkt en de minister hem ten onrechte heeft beboet wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De rechtbank heeft, gezien de bij het boeterapport behorende verklaringen van de vreemdelingen en [appellant], terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hieruit blijkt dat de vreemdelingen de werkzaamheden niet zonder gezagsverhouding uitoefenden, nu zij geen vrije keus hadden met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden en de daarvoor te ontvangen beloning. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling sub 5, anders dan de vreemdelingen sub 1 tot en met 4, wel als zelfstandige kan worden aangemerkt, slaagt evenmin. Uit de verwijzing van de rechtbank naar de door de vreemdeling sub 5 afgelegde, bij het boeterapport behorende verklaring - die volgens de rechtbank overeenkomt met de bij het boeterapport behorende verklaring van [appellant] - in samenhang gelezen met de overweging van de rechtbank dat de vreemdeling sub 5 de werkzaamheden zonder gezagsverhouding heeft uitgeoefend, blijkt voldoende op welke gronden de rechtbank tot haar beslissing is gekomen.

Ook de verwijzing van [appellant] naar de brief van de minister van 27 april 2005 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij de totstandkoming van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (hierna: Waga; Kamerstukken II 2004/05, 29 983, nr. 5, blz. 7), baat [appellant] in het licht van het vorenstaande niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen en zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Waga ook blijkt, is voor de vraag of de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 de werkzaamheden als zelfstandigen hebben uitgeoefend bepalend of die werkzaamheden zonder gezagsverhouding zijn uitgeoefend, waarbij de feitelijke situatie van belang is.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was te hebben gedaan om de overtreding te voorkomen, zodat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien de boete op nihil te stellen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van de wet worden nageleefd. [appellant] had zich ervan dienen te vergewissen of de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland werkzaamheden mochten verrichten.

2.6.2. [appellant] heeft aangevoerd dat hij ervan mocht uitgaan dat de vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid mochten verrichten, omdat de minister in een aantal volgens [appellant] vergelijkbare zaken - blijkens de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 19 februari 2009 in zaak nr. 08/821 en de rechtbank Haarlem van 8 januari 2009 in zaak nr. 07/6042, alsmede de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2008 in zaak nr. 200704789/1, van 3 september 2008 in zaak nr. 200706119/1 en van 3 juni 2009 in zaak nr. 200807011/1/V6 - ten onrechte een boete heeft opgelegd. Dit betoog treft geen doel, omdat [appellant] hiermee niet de overwegingen van de rechtbank heeft weersproken dat hij zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de vreemdelingen als zelfstandigen konden worden aangemerkt, door uitsluitend bij de vreemdeling sub 5 te informeren of alles volgens de regels ging en de paspoorten van de vreemdelingen en de uittreksels uit het handelsregister in te zien.

Het betoog faalt.

2.7. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet is geschonden. In dit verband heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de redelijke termijn in zijn geval niet is aangevangen met de boetekennisgeving, maar bij het geven van de cautie of het aanzeggen van het boeterapport door de inspecteurs.

2.7.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

2.7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008 in zaak nr. 200803832/1), is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is.

Voorts heeft, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr. 200806642/1), voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de beslechting van het geschil over een punitieve sanctie in hoger beroep heeft, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200806899/1/V6), als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan.

2.7.3. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200900175/1/V6) wordt in de regel eerst met de in artikel 19 van de Wav bedoelde kennisgeving van de boete jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. In de grote meerderheid van de gevallen zal derhalve de dag waarop deze kennisgeving wordt gedaan gelden als het tijdstip waarop de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang neemt. Zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 23 523, nr. 3, blz. 14) valt evenwel niet uit te sluiten dat in een concreet geval sprake is van specifieke omstandigheden waarbij, in afwijking van voormeld uitgangspunt, reeds voordat de boetekennisgeving wordt gedaan, jegens de beboete een concrete handeling wordt verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het geven van de cautie noch het aanzeggen van het boeterapport in zijn geval de redelijke termijn doen aanvangen. Zoals de rechtbank, samengevat weergeven, heeft overwogen, is het geven van de cautie noch het aanzeggen van het boeterapport een voldoende concrete handeling als vorenbedoeld.

Het betoog van [appellant] faalt in zoverre.

2.7.4. [appellant] betoogt evenwel terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de klacht over schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM doel treft. Aan de boetekennisgeving van 9 januari 2007 heeft [appellant], zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat hem een boete zou worden opgelegd, zodat daarmee de redelijke termijn is aangevangen. De beslechting van het geschil in eerste aanleg is geëindigd met de uitspraak van 14 mei 2009 die op 20 mei 2009 is verzonden, zodat deze fase van de procedure, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, twee jaar en vier maanden heeft geduurd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan niet worden staande gehouden dat de overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden een geheel aan [appellant] toe te rekenen omstandigheid is. Daargelaten of [appellant] zijn beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet eerder dan eerst ter zitting bij de rechtbank op 22 september 2008 kon doen, is de overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden niet volledig aan hem toe te rekenen, nu de rechtbank aanleiding heeft gezien het onderzoek te heropenen, de zaak eerst op 17 februari 2009 opnieuw ter zitting te behandelen en op 14 mei 2009 uitspraak te doen.

2.7.5. Gelet op hetgeen onder 2.7.4. is overwogen, dient de opgelegde boete met 5% te worden verminderd. De Afdeling sluit hiermee aan bij de Hoge Raad (arrest van 19 december 2008, nr. 42763; AB 2009, 230).

Het betoog slaagt.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de boete, opgelegd voor de tewerkstelling van de vreemdelingen sub 1 tot en met 4 niet met 5% heeft verminderd, maar heeft vastgesteld op € 16.000,00 en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gegeven hetgeen onder 2.7.5. is overwogen, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 oktober 2007 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.9. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 2009 in zaak nr. 07/3900, voor zover de rechtbank het bedrag van de boete die aan [appellant] wordt opgelegd, heeft vastgesteld op € 16.000,00 en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. herroept het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 februari 2007, kenmerk 070601617/04;

V. bepaalt dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op € 15.200,00 (zegge: vijftienduizendtweehonderd euro);

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 129,26 (zegge: honderdnegenentwintig euro en zesentwintig eurocent); het dient door de minister aan [appellant] onder vermelding van het zaaksnummer te worden betaald;

IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

32-572.