Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200902742/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een verzinkerij met bijbehorende activiteiten, zoals voor- en nabehandeling, opslag van te behandelen producten en producten die gereed zijn, loodsen voor opslag van milieugevaarlijke stoffen en (gevaarlijke) afvalstoffen en kantoorruimten, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/3468
JOM 2010/409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902742/1/M1.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een verzinkerij met bijbehorende activiteiten, zoals voor- en nabehandeling, opslag van te behandelen producten en producten die gereed zijn, loodsen voor opslag van milieugevaarlijke stoffen en (gevaarlijke) afvalstoffen en kantoorruimten, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college en [appellant] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht en tevens nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, ing. J.J. van den Borne, werkzaam bij de SRE Milieudienst, en H.H. Laveaux, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. H.M.J.G. Neelis, [directeur], en A.E.A. van den Heijkant, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het oog op de voorgenomen uitbreiding van de inrichting met een tweede verzinkerij en een montagehal en het daarna nog beperkt gebruiken van de bestaande verzinkerij, is bij het bestreden besluit een revisievergunning verleend.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover dat betrekking heeft op luchtkwaliteit en op de door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. te kennen gegeven onjuistheden in het akoestisch rapport, omdat [appellant] en anderen geen zienswijzen op deze onderdelen naar voren hebben gebracht.

2.2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt (uitspraak van 1 november 2006 in zaak nr. 200602308/1).

2.2.2. Anders dan het college stelt, heeft het beroepsonderdeel over de onjuistheden in het akoestisch rapport betrekking op een besluitonderdeel waarover een zienswijze naar voren is gebracht, namelijk geluidhinder. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Met betrekking tot luchtkwaliteit hebben [appellant] en anderen geen zienswijzen naar voren gebracht. Nu niet is gebleken dat hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de beroepsgrond over luchtkwaliteit niet-ontvankelijk.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Productiecapaciteit bestaande verzinkerij

2.4. [appellant] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn ter beperking van hinder ten gevolge van het in werking zijn van de bestaande verzinkerij, omdat de voorschriften niet zien op de beperking van de capaciteit ervan. De vergunning is daarom in zoverre niet handhaafbaar. Het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.4.1 is volgens [appellant] en anderen in strijd met de rechtszekerheid, omdat het daarin bedoelde milieujaarverslag door [vergunninghoudster] zelf wordt opgesteld en daartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de begrenzing van de activiteiten binnen de inrichting is gelegen in de aanvraag en de bijbehorende geluid-, lucht- en geuronderzoeken, die onderdeel uitmaken van de vergunning. Hierin is vermeld dat door de bouw van een nieuwe verzinkhal de productiecapaciteit van de bestaande verzinkerij afneemt tot tien procent van de huidige capaciteit. Bovendien is in het aan de vergunning verbonden voorschrift 10.1.2 de maximale productiecapaciteit vermeld, aldus het college. Ten aanzien van het milieujaarverslag brengt het college naar voren dat dit alleen door vergunninghoudster zelf gemaakt kan worden en dat door de in voorschrift 2.4.1 gestelde eisen aan het milieujaarverslag voldoende is gewaarborgd dat in het milieujaarverslag gegevens worden opgenomen die objectief verifieerbaar zijn.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 2.4.1, voor zover hier van belang, wordt uiterlijk 1 mei van elk kalenderjaar een milieujaarverslag aan het bevoegd gezag toegezonden. In een milieujaarverslag wordt op hoofdlijnen een stand van zaken gegeven met betrekking tot de milieubelasting en de getroffen milieumaatregelen in het voorgaande kalenderjaar. Een milieujaarverslag dient te voldoen aan de in het voorschrift gestelde eisen.

Ingevolge voorschrift 10.1.1, voor zover hier van belang, is vergunninghouder verplicht om jaarlijks een overzicht op te stellen van het hulpstoffen- en grondstoffenverbruik voor zowel de bestaande als nieuwe verzinkerij. In dit overzicht moeten onder meer de gerealiseerde productiecapaciteit in tonnen per jaar in de bestaande en de nieuwe verzinkerij worden geregistreerd.

Ingevolge voorschrift 10.1.2 bedraagt de totale productiecapaciteit voor de inrichting maximaal 48.000 ton/jaar. Hiervan mag in de bestaande verzinkerij maximaal 3.500 ton per jaar worden geproduceerd.

2.4.3. Volgens de aanvraag en de daarbij behorende stukken is de productiecapaciteit van de bestaande verzinkerij beperkt tot tien procent van de huidige productiecapaciteit van de bestaande verzinkerij. De productiecapaciteit van de bestaande verzinkerij is ook in het aan de vergunning verbonden voorschrift 10.1.2 vastgelegd en beperkt tot 3.500 ton per jaar. Daar komt bij dat ingevolge voorschrift 10.1.1 de gerealiseerde productiecapaciteit in de bestaande en de nieuwe verzinkerij dient te worden geregistreerd en dat in de aanvraag is vermeld wanneer van de bestaande verzinkerij gebruik wordt gemaakt. De productiecapaciteit en het gebruik van de bestaande verzinkerij zijn derhalve, anders dan [appellant] en anderen betogen, begrensd en die begrenzing is handhaafbaar.

De in vergunningvoorschrift 2.4.1 aan het milieujaarverslag gestelde eisen waarborgen dat in het milieujaarverslag gegevens worden opgenomen die inzicht geven in de milieuresultaten van de inrichting en die objectief verifieerbaar zijn. In zoverre is het voorschrift niet in strijd met de rechtszekerheid.

Deze beroepsgronden falen.

Beste beschikbare technieken

2.5. [appellant] en anderen betogen dat in de inrichting niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de van de inrichting verlangde maatregelen overeenkomen met de toepassing van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.5.2. Bijlage 5 van onderdeel 2 van de vergunningaanvraag omvat een toets aan de voor de inrichting relevante BREF-documenten, waaruit blijkt dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Dit wordt bevestigd door het deskundigenbericht. Er is geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre voor onjuist te houden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Deze beroepsgrond faalt.

Omgevingstoets

2.6. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen omgevingstoets in verband met de aanwezigheid van kwetsbare en habitatgebieden is uitgevoerd.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen significante effecten zijn te verwachten voor de in de omgeving van de inrichting gelegen Natura 2000-gebieden.

2.6.2. Het deskundigenbericht vermeldt met betrekking tot de omgevingstoets dat op ongeveer drie kilometer van de inrichting de Natura 2000 gebieden in wording Sarsven en De Banen liggen. De gevolgen voor Natura-2000 gebieden dienen vanaf 1 februari 2009 uitsluitend te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. De eventuele effecten van het inwerking zijn van de inrichting dienen aan de orde te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge die wet is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden.

Deze beroepsgrond faalt.

Geluid

2.7. [appellant] en anderen vrezen voor geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen dat de gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde en het maximale geluidniveau niet toereikend zijn en niet kunnen worden nageleefd. Volgens hen heeft het college zich niet op het tot de aanvraag behorende geluidrapport van Oranjewoud van 8 februari 2008 (hierna: het akoestisch rapport) kunnen baseren. Zij verwijzen in dit verband naar de door hen overgelegde beoordeling van het rapport door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. Volgens [appellant] en anderen blijkt daaruit dat het akoestisch rapport uitgaat van een onjuiste representatieve bedrijfssituatie. Zo zijn niet alle geluidbronnen en vervoersbewegingen in de berekening van de geluidbelasting meegenomen, aldus [appellant] en anderen.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn. Voorts betoogt het college dat het betoog met betrekking tot de onjuistheden in het akoestisch rapport in strijd met de goede procesorde niet in de zienswijze, maar eerst in het beroepschrift is aangevoerd. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat ook de beoordeling van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van het door het college ingediende akoestisch rapport van 8 december 2009 in strijd met de goede procesorde is ingediend. Verder erkent het college dat de representatieve bedrijfssituatie niet geheel juist is weergegeven, maar het stelt zich op het standpunt dat deze onjuistheden niet tot gevolg hebben dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.7.2. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft het college voorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 12.1.2 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de in het voorschrift genoemde immissiepunten.

In voorschrift 12.1.3 zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau op de in het voorschrift genoemde immissiepunten.

Daarnaast heeft het college een aantal maatregelen en voorzieningen voorgeschreven.

2.7.3. De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein 'Aan veertien' te Nederweert. Om dit terrein is krachtens de Wet geluidhinder een geluidzone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag deze grenswaarde in acht. Voorts is op de gevels van een aantal woningen binnen de zone een maximaal toelaatbare geluidbelasting vastgesteld.

2.7.4. In de considerans van het bestreden besluit is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghoudster] gecumuleerd met de bijdragen van de andere bedrijven op het industrieterrein niet leiden tot een overschrijding van de normen op de zonepunten. Niet aannemelijk is gemaakt dat het standpunt van het college onjuist is. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde geluidvoorschriften toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.7.5. De Wet geluidhinder en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit voorzien niet in afzonderlijke grenswaarden ten aanzien van piekgeluiden, veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting. Het college heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de voor de inrichting geldende maximale geluidgrenswaarden daarom aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2 van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). De in vergunningvoorschrift 12.1.3 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de in de paragraaf 3.2 van de Handreiking genoemde maximale waarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft deze grenswaarden daarom in redelijkheid toereikend kunnen achten.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.7.6. Ten aanzien van hetgeen het college stelt omtrent strijd met de goede procesorde, overweegt de Afdeling dat de beoordeling van het akoestisch rapport door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. reeds bij het indienen van het aanvullend beroepschrift op 13 mei 2009, ruim acht maanden voor de zitting, in de procedure is gebracht. Het college heeft daarop gereageerd en een nieuw akoestisch van 8 december 2009 ingediend. De beoordeling door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van het akoestisch rapport van 8 december 2009, is ingekomen op 20 januari 2010 en daarmee tot tien dagen voor de zitting ingediend. Er is naar het oordeel van de Afdeling voldoende tijd geweest om hierop te kunnen reageren. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. te kennen gegeven onjuistheden in de akoestisch rapporten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven.

2.7.7. In paragraaf 2.4 van het deskundigenbericht wordt ingegaan op het akoestisch rapport en de beoordeling daarvan door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V.. Hieruit blijkt dat het akoestisch rapport een aantal onjuistheden bevat. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft het college met een nieuw akoestisch rapport van Oranjewoud van 8 december 2009 gesteld dat, hoewel het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport van 8 februari 2008 een aantal onjuistheden bevat, desalniettemin aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Uit de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport van Oranjewoud van 8 december 2009 volgt dat daarbij is uitgegaan van een afzuiging van de nieuwe hal (bronnen 008, 080 en 081), die voorzien is van een demping van 5 dB(A). Het college en [vergunninghoudster] hebben ter zitting naar voren gebracht dat het aanbrengen van een demping geen ingrijpende voorziening is en dat deze zal worden aangebracht. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel de conclusies in het akoestisch rapport van 8 december 2009 onjuist te achten. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zowel aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als voor het maximale geluidniveau kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

Geur

2.8. [appellant] en anderen vrezen geurhinder van de inrichting.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn. In dit kader brengt het college naar voren dat weliswaar de totale geuremissie binnen de inrichting toeneemt met een factor 1.3, maar dat de geurbelasting bij de dichtstbijgelegen woningen door verplaatsing van de belangrijkste geurbronnen van de bestaande verzinkerij naar de nieuwe verzinkerij afneemt.

2.8.2. Ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder heeft het college voorschriften aan de vergunning verbonden.

Ingevolge voorschrift 14.1.1 mag de totale geurimmissie vanwege de inrichting als 95-percentiel op dichtstbijgelegen woning en als 98-percentiel op dichtstbijgelegen woning onderscheidenlijk de waarden 1 ge/m3 en 1,3 ge/m3 ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen aan de Winnerstraat en Nieuwstraat niet overschrijden.

Voorts heeft het college maatregelen en voorzieningen voorgeschreven.

2.8.3. Het college heeft voor de beoordeling van de geurhinder de paragrafen 2.9, 3.6 en 4.4 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) tot uitgangspunt genomen. Voor de bepaling van de geurhinder heeft het college zich gebaseerd op het tot de aanvraag behorende rapport Luchtemissie- en geuronderzoek van Oranjewoud van september 2007 (hierna: het geurrapport). Daaruit blijkt dat de geur veroorzaakt door de verzinkerij een niet hinderlijke geur betreft. Op basis daarvan is een geurnorm vastgesteld van 6,8 ge/m3 als 98-percentiel. De in vergunningvoorschrift 14.1.1 gestelde geurnormen zijn gebaseerd op de berekende concentraties ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen. Deze normen liggen onder de norm van 6,8 ge/m3 als 98-percentiel.

In het nader stuk, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2009, heeft het college over voorschrift 14.1.1 naar voren gebracht dat de norm van 1,3 ge/m3 als 98-percentiel ten onrechte niet geldt ter hoogte van woningen buiten het industrieterrein en dat de norm van 1 ge/m3 als 95-percentiel in afwijking van de tekst van voorschrift 14.1.1 ter hoogte van woningen op het industrieterrein, zijnde de woningen aan [6 locaties] zou moeten gelden. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

De Afdeling stelt vast dat de wijzigingen zoals aangegeven door het college inhouden dat alsnog een geurnorm voor woningen buiten het industrieterrein geldt en dat wordt bepaald op welke plaatsen op het industrieterrein een geurnorm geldt. Gelet op het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met in aanmerkingneming van deze wijzigingen voorschrift 14.1.1 toereikende bescherming tegen geurhinder biedt.

Controlevoorschriften

2.9. [appellant] en anderen betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 12.2.1 en 14.2.2 als controlevoorschriften geen toereikende bescherming bieden. Volgens [appellant] en anderen kan niet volstaan worden met het slechts eenmalig doen van onderzoek naar de geluid- en geurbelasting van de inrichting.

2.9.1. Ingevolge voorschrift 12.2.1 voor zover hier van belang, moet binnen drie maanden na het in werking treden van de nieuwe productiehal door middel van een akoestisch onderzoek aan bevoegd gezag worden aangetoond dat aan de in deze vergunning opgenomen geluidsvoorschriften wordt voldaan.

Ingevolge voorschrift 12.1.1 moet het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

Ingevolge voorschrift 14.2.2 moet binnen drie maanden na het in werking zijn van de nieuwe productiehal door middel van geurmetingen en berekeningen worden aangetoond dat de geuremissies van de totale inrichting de in dit hoofdstuk opgenomen geurimmissie normen niet overschrijden.

Ingevolge voorschrift 14.3.1 dient, indien het aantal klachten daartoe aanleiding geeft, vergunninghouder op verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen.

2.9.2. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

In het vierde lid van dit artikel, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.9.3. De aan de vergunning verbonden voorschriften 12.1.2 en 12.1.3 met betrekking tot geluid zijn aan te merken als doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, volgt dat voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meer controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Daarbij is geen ruimte voor een bestuurlijke afweging. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 20 december 2006, in zaak nr. 200605039/1) kan hierbij veelal worden volstaan met een eenmalige controlemeting. In voorschrift 12.2.1 in samenhang bezien met voorschrift 12.1.1 is voorgeschreven op welke wijze eenmalig moet worden bepaald of aan de gestelde doelvoorschriften wordt voldaan. Niet is gebleken van omstandigheden die ertoe nopen in dit geval meer dan één keer een controlemeting uit te voeren.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 14.1.1 met betrekking tot geur is aan te merken als doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Volgens het deskundigenbericht is het niet aannemelijk dat zich fluctuaties in de emissies zullen voordoen, zodat de uitkomst van één uitgevoerde geurmeting voor langere tijd representatief is. De Afdeling komt deze conclusie in het deskundigenbericht niet onjuist voor. Voorts kan ingevolge voorschrift 14.3.1 indien nodig extra geuronderzoek worden verlangd.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 12.2.1 en 14.2.2 toereikend zijn als controlevoorschriften.

Deze beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.10. [appellant] en anderen betogen dat visuele hinder ten onrechte niet bij de beoordeling van de aanvraag is betrokken.

2.10.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets.

Het college heeft zich, mede gelet op de ligging de verzinkerij op een industrieterrein, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of het stellen van nadere voorschriften.

Naleving van de vergunning

2.11. De vrees van [appellant] en anderen dat [vergunninghoudster] zal handelen in strijd met de vergunning dan wel in strijd met de daaraan verbonden voorschriften betreft een beroepsgrond die geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Awb voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.

Deze beroepsgrond faalt.

Herhaling zienswijzen

2.12. Voor zover [appellant] en anderen de zienswijzen, voor zover deze ongegrond zijn verklaard, hebben herhaald en gesteld te hebben ingelast, overweegt de Afdeling dat het college hierop in het bestreden besluit een reactie heeft gegeven. [appellant] en anderen hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie en proceskosten

2.13. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 17 februari 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het betreft voorschrift 14.1.1. Het beroep is voor het overige ongegrond. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.8.3 is overwogen zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van voorschrift 14.1.1 zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.14. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op luchtkwaliteit;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert van 17 februari 2009, voor zover het betreft voorschrift 14.1.1;

IV. bepaalt dat voorschrift 14.1.1 van de vergunning van 17 februari 2009 als volgt komt te luiden:

De totale geurimmissie vanwege de inrichting mag:

- ter plaatse van woningen op het industrieterrein, zijnde de woningen aan [6 locaties], de uurgemiddelde concentratie van 1 geureenheid per m3 gedurende niet meer dan 95% van de tijd van het jaar worden overschreden en,

- ter plaatse van woningen buiten het industrieterrein de uurgemiddelde concentratie van 1,3 geureenheden per m3 gedurende niet meer dan 98% van de tijd van het jaar worden overschreden;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 17 februari 2009;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nederweert tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nederweert aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Duursma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

378-590.