Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200905376/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd de verzoeken van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/57 met annotatie van Arents
JOM 2010/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905376/1/M2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Nijefurd,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd de verzoeken van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college opnieuw de voornoemde verzoeken van [appellant] afgewezen wat betreft het geluidaspect.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2009, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft bij brief van 24 februari 2010 een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.G.H. van der Kolk, advocaat te Stadskanaal, en het college, vertegenwoordigd door W. Foppen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft het college het besluit van 12 december 2006 herroepen voor zover het gaat om het geluidaspect.

Het besluit van 7 augustus 2008 is bij uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, in zaak nr. 200806924/1/M2 vernietigd, onder meer voor zover geen nieuw besluit is genomen op de verzoeken van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen wat betreft het geluidaspect. Bij het bestreden besluit zijn deze verzoeken opnieuw in zoverre afgewezen.

2.2. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond ter zake van het vergoeden van de in bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ingetrokken.

2.3. [appellant] voert aan dat het bestreden besluit door A. van den Hurk, ad interim hoofd van de afdeling Ruimte, Milieu en Economie van de gemeente, onbevoegd is genomen. Voor zover Van den Hurk het bestreden besluit namens het college zou hebben genomen, is dat volgens [appellant] in strijd met artikel 10:10 van de Awb daarin niet vermeld.

2.3.1. Ingevolge artikel 10:10 van de Awb dient een krachtens mandaat genomen besluit te vermelden namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.

2.3.2. Vaststaat dat Van den Hurk het bestreden besluit heeft genomen. Het college heeft hieromtrent ter zitting verklaard dat hij Van den Hurk mondeling gemachtigd heeft om het besluit namens het college te nemen. Er is geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

In strijd met artikel 10:10 van de Awb vermeldt het bestreden besluit evenwel niet dat het namens het college is genomen. Nu [appellant] niet in zijn belangen is geschaad, ziet de Afdeling aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

2.4. Het college heeft de verzoeken om handhaving bij het bestreden besluit afgewezen omdat volgens hem de voor de inrichting ingevolge de milieuvergunning van 22 maart 1994 geldende geluidgrenswaarden ter plaatse van de woning van [appellant] niet worden overschreden, zodat zich geen overtreding voordoet. Aan het bestreden besluit liggen akoestische rapporten van 3 april 2009 en 13 juli 2009, opgesteld door het Adviesbureau dB(A) De Burgumer Akoesticus, en het verslag van een luistercontrole op 26 juni 2009 ten grondslag.

2.5. [appellant] betoogt dat het college er ten onrechte op basis van de akoestische rapporten en de luistercontrole van is uitgegaan dat het geluid van de ventilatoren geen tonaal karakter heeft. Volgens hem is in zoverre onzeker of zich niet toch een overschrijding van de geluidgrenswaarden voordoet. [appellant] voert onder meer aan dat het rapport van 13 juli 2009 onzorgvuldig is, nu tijdens de daaraan ten grondslag gelegde meting op 11 juli 2009 twee van de vier ventilatoren niet in werking waren. Verder voert hij aan - samengevat weergegeven - dat de luistercontrole onbetrouwbaar is omdat deze niet op de juiste wijze is uitgevoerd. Voorts merkt [appellant] op dat in het rapport van 3 april 2009 staat vermeld dat de ventilatoren dominant zijn ten opzichte van het achtergrondgeluid.

2.5.1. Uit het rapport van 3 april 2009 blijkt dat zich uitsluitend in het geval dat het geluid van de ventilatoren moet worden gekarakteriseerd als tonaal geluid - zodat een toeslag van 5 dB(A) in rekening moet worden gebracht - een overschrijding van de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode ter plaatse van de woning van [appellant] voordoet. [appellant] heeft de juistheid van het rapport van 3 april 2009 in zoverre niet betwist.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het geluid van de ventilatoren als tonaal geluid moet worden aangemerkt.

2.5.2. Ingevolge geluidvoorschrift 4 van de vergunning van 22 maart 1994 moet de controle of berekening van de in de voorschriften vastgelegde geluidniveaus en de beoordeling van de meetresultaten geschieden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01, van maart 1981 (hierna: de Handleiding).

Op grond van paragraaf 2.2.4 van de Handleiding geldt voor de beoordeling of een geluid een tonaal karakter heeft als criterium dat het tonale karakter duidelijk hoorbaar moet zijn bij de ontvanger.

2.5.3. In het verslag van de bevindingen van drie ambtenaren van de gemeente Nijefurd tijdens de luistercontrole op 26 juni 2009 is vermeld dat is geluisterd op 3 meter en op 6 meter afstand van de stal en tussen de stal en de woning van [appellant]. De luistercontrole geeft daarmee geen antwoord op de vraag of het geluid van de ventilatoren op het beoordelingspunt, de woning van [appellant], als tonaal geluid duidelijk hoorbaar is. Het rapport van 13 juli 2009 van een tertsbandanalyse geeft hieromtrent evenmin voldoende duidelijkheid omdat tijdens de daaraan ten grondslag liggende meting op 11 juli 2009 twee van de vier ventilatoren op de stal niet in werking waren. Met de enkele stelling in het rapport van 13 juli 2009 dat de ventilatoren die niet in werking waren van hetzelfde merk en type zijn als de andere ventilatoren, staat niet vast dat deze geen tonaal geluid bij de woning van [appellant] kunnen veroorzaken.

2.5.4. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat er geen sprake is van tonaal geluid. Daarmee is evenmin komen vast te staan dat zich in dit geval niet een overtreding voordoet. Het bestreden besluit ontbeert daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb een zorgvuldige voorbereiding.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.6. Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 juli 2009 dient te worden vernietigd voor zover daarbij de verzoeken om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen van [appellant] van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 wat betreft het geluidaspect zijn afgewezen. Het college dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd van 14 juli 2009, kenmerk u0901597, voor zover daarbij de verzoeken om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen van 30 augustus 2005 en 5 september 2005 wat betreft het geluidaspect zijn afgewezen;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd aan appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

431-648.