Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200905853/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2008 hebben provinciale staten van Fryslân krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij de gebieden in de provincie Fryslân aangewezen die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Dit besluit is op 29 juni 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet ammoniak en veehouderij
Wet ammoniak en veehouderij 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/110 met annotatie van H.E. Woldendorp
JOM 2011/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905853/1/M2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Weststellingwerf,

appellante,

en

provinciale staten van Fryslân en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2008 hebben provinciale staten van Fryslân krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij de gebieden in de provincie Fryslân aangewezen die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Dit besluit is op 29 juni 2009 ter inzage gelegd.

Bij besluit van 10 juli 2009 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voornoemd besluit van provinciale staten van 17 september 2008 goedgekeurd.

Tegen het besluit tot aanwijzing van de zeer kwetsbare gebieden en het daarmee samenhangende goedkeuringsbesluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2010, waar provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle, en door drs. W. Haalboom, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] kan zich niet vinden in de aanwijzing van natuurgebied De Meenthe als zeer kwetsbaar gebied. Volgens haar is dit natuurgebied nabij haar veehouderij aan de [locatie] te [plaats] zodanig versnipperd dat in feite sprake is van afzonderlijke gebieden, ieder kleiner dan 50 ha. Zij voert in dit verband aan dat delen van het natuurgebied slechts met elkaar worden verbonden door lintvormige verbindingen met een lengte van 55, onderscheidenlijk 130 meter en een breedte van minder dan 10 meter. [appellante] betwijfelt verder dat de ammoniakemissie vanuit haar veehouderij tot een vermindering van de in natuurgebied De Meenthe voorkomende natuurwaarden leidt. Daarnaast voert zij aan dat er ten onrechte geen maatwerk is verricht ten behoeve van haar veehouderij, terwijl dit voor twee andere bedrijven in de omgeving wel is gedaan.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij wijzen provinciale staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid kunnen alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen.

Ingevolge het derde lid wijzen provinciale staten, onverminderd het tweede lid, alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een beschermd gebied als bedoeld in artikel 10, eerste lid, of artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel binnen een gebied dat op grond van artikel 4 van richtlijn (EEG) nr. 92/43 van communautair belang is verklaard, aan als zeer kwetsbaar gebied.

Ingevolge het vierde lid houden provinciale staten bij de aanwijzing van gebieden, anders dan bedoeld in het derde lid, als zeer kwetsbaar gebied uitsluitend rekening met de volgende aspecten:

a. de gevoeligheid van het voor verzuring gevoelige gebied voor de effecten van ammoniak;

b. de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige natuurwaarden;

c. de ecologische samenhang binnen het voor verzuring gevoelige gebied of van dat gebied met een of meer andere gebieden die als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen;

d. de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied;

e. de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen, voor zover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt.

Ingevolge het vijfde lid vindt aanwijzing van een gebied als bedoeld in het vierde lid, kleiner dan 50 ha slechts plaats indien het een gebied met zeer grote natuurwaarden betreft.

Ingevolge het zesde lid kan een gebied slechts worden aangemerkt als gebied met zeer grote natuurwaarden als bedoeld in het vijfde lid indien:

a. in het gebied meer dan één soort aanwezig is die is opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr. 92/43 of in de bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna en deze soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak;

b. het gebied is aangewezen als beschermde leefomgeving krachtens artikel 19 van de Flora- en faunawet en deze leefomgeving zeer gevoelig is voor de effecten van ammoniak, of

c. het gebied door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het betreffende gebied behoort, is voorgesteld om als zodanig te worden aangemerkt.

2.3. Provinciale staten hebben de voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur onderscheiden in gebieden met een oppervlakte van ten minste 50 ha en gebieden met een oppervlakte van minder dan 50 ha. Bij de beoordeling welke percelen samen één gebied vormen, hebben provinciale staten onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat bij een onderbreking van het voor verzuring gevoelige gebied met meer dan 25 meter geen sprake is van een aaneengesloten gebied. Provinciale staten hebben voorts onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat bij een verbinding van voor verzuring gevoelige gebieden of delen daarvan door lijn- of lintvormige elementen of door vegetatie zoals erfbeplanting, houtwallen, singels, bosstroken en dergelijke met een breedte tot 10 meter geen sprake is van aaneengesloten gebied. Met deze uitgangspunten hebben provinciale staten het in artikel 2, vierde lid, onder d, van de Wet ammoniak en veehouderij genoemde aspect - de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied - nader ingevuld. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten dit niet in redelijkheid hebben kunnen doen.

De Afdeling acht, mede gelet op de ter zake door provinciale staten ter zitting gegeven toelichting, aannemelijk dat de door [appellante] genoemde verbindingen een breedte van ten minste 10 meter hebben. Gelet hierop, hebben provinciale staten terecht geoordeeld dat de door middel van deze verbindingen met elkaar verbonden delen van natuurgebied De Meenthe samen één gebied vormen. Hetgeen [appellante] aanvoert, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt stellen dat natuurgebied De Meenthe een aaneengesloten gebied is, met een totale oppervlakte van 80 ha.

2.4. Natuurgebied De Meenthe bestaat volgens provinciale staten uit zeer waardevolle en voor ammoniakneerslag gevoelige heideterreinen, omgeven en met elkaar verbonden door verzuringgevoelige bossen. Ter zitting hebben provinciale staten naar voren gebracht dat uit gegevens van Staatsbosbeheer blijkt dat in alle heideterreinen meerdere soorten voorkomen die zijn opgenomen in bijlage II van richtlijn 92/43/EEG of in de bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] aanvoert geen grond om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van provinciale staten. Gelet hierop, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat natuurgebied De Meenthe als zeer kwetsbaar gebied dient te worden aangewezen.

2.5. Provinciale staten hebben aan het in artikel 2, vierde lid, onder e, van de Wet ammoniak en veehouderij genoemde aspect - de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen - nader invulling gegeven door onder omstandigheden bij de begrenzing van een zeer kwetsbaar gebied maatwerk te verrichten ten behoeve van een nabijgelegen veehouderij. Hierbij hebben provinciale staten onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat geen maatwerk wordt verricht indien de veehouderij relatief dicht bij het als zeer kwetsbaar gebied aan te wijzen natuurgebied ligt. In dat geval zou een te groot deel van het natuurgebied buiten de aanwijzing moeten blijven teneinde te bereiken dat de grens van het zeer kwetsbaar gebied op ten minste 250 meter van de veehouderij komt te liggen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten met dit uitgangspunt op onredelijke wijze nader invulling hebben gegeven aan artikel 2, vierde lid, onder d, van de Wet ammoniak en veehouderij.

Aan verschillende zijden van de veehouderij van [appellante] zijn op korte afstand delen van natuurgebied De Meenthe gelegen, waaronder twee door provinciale staten als zeer waardevol aangemerkte heideterreinen. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling op grond van hun beoordelingskader kunnen afzien van maatwerk ten behoeve van de veehouderij van [appellante]. Wat betreft de door [appellante] vermelde veehouderijen die zijn ontzien, overweegt de Afdeling dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van provinciale staten dat ten aanzien van deze veehouderijen is voldaan aan alle door provinciale staten gehanteerde uitgangspunten voor het kunnen verrichten van maatwerk.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

462.