Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200905736/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: de raad) de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905736/1/H2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 juni 2009 in zaak nr. 09/601 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: de raad) de aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2010, waar uitsluitend de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij het Centraal Kantoor van de raad te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

2.2. [appellant] heeft op 2 januari 2008 een toevoeging aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 24 december 2007, waarbij een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand buiten behandeling was gesteld, omdat [appellant] onvoldoende gegevens had verstrekt. De raad heeft bij besluit van 13 mei 2008 deze aanvraag afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden onder het bereik vielen van een eerder afgegeven toevoeging, die was verleend voor het maken van bezwaar tegen een besluit van voormeld college van 30 oktober 2007, waarbij eveneens een aanvraag van [appellant] om bijstand buiten behandeling was gesteld, omdat hij onvoldoende gegevens had verstrekt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat beide procedures hetzelfde rechtsbelang betreffen. Hij voert aan dat de bezwaarprocedure waarvoor thans toevoeging is gevraagd betrekking heeft op een herhaalde aanvraag om bijstand waarvoor nieuwe feiten en omstandigheid moeten worden gesteld alvorens die aanvraag in behandeling kan worden genomen. Volgens [appellant] is tevens van belang dat de ingangsdatum van bijstand niet dezelfde kan zijn als die van de eerdere aanvraag om bijstand.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van diversiteit van procedures aangezien de bezwaarschriften niet op dezelfde hoorzitting zijn behandeld en hebben geleid tot twee afzonderlijke besluiten op bezwaar.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 1999 in zaken nrs. H01.99.0159 tot en met H01.99.0163 (AB 2000, 2) volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meerdere toevoegingen moeten worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel in geval van één procedure sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

2.5. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de geschillen waarvoor toevoeging is gevraagd betrekking hebben op hetzelfde rechtsbelang. Dat de thans gevraagde toevoeging betrekking heeft op een herhaalde aanvraag om bijstand waarvoor nieuwe feiten en of omstandigheden moesten worden aangevoerd, laat onverlet dat ook in deze zaak het rechtsbelang bestaat uit het verkrijgen van bijstand.

De rechtbank heeft voorts in de omstandigheden dat beide bezwaarschriften niet op dezelfde hoorzitting zijn behandeld, dat deze bij succes hadden kunnen leiden tot een verschil in ingangsdatum van de uitkering en dat deze procedures hebben geleid tot twee afzonderlijke besluiten op bezwaar, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van verschillende procedures. Immers beide kort achter elkaar gevoerde procedures hadden betrekking op hetzelfde onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex was vrijwel gelijk.

De betogen falen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

47-609.