Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
201001600/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan het Kerkgenootschap Leger des Heils een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot een kerkgebouw op het adres Hagepoortplein 4a te Zutphen.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 6
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.17
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/240 met annotatie van F.M.C. Vlemminx
Milieurecht Totaal 2010/970
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2624
JOM 2010/529
OGR-Updates.nl 10-70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001600/1/M2.

Datum uitspraak: 1 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van Kerkgenootschap Leger des Heils om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het Kerkgenootschap Leger des Heils,

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan het Kerkgenootschap Leger des Heils een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot een kerkgebouw op het adres Hagepoortplein 4a te Zutphen.

Tegen dit besluit heeft het Leger des Heils bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, heeft het Leger des Heils de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partijen] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 maart 2010, waar het Leger des Heils, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en T. Scholtens, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, en N.C. van Buitenen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college ten aanzien van de in het kerkgebouw gehouden kerkdiensten waarbij van geluidversterking gebruik wordt gemaakt - zoals zingen en spreken door een microfoon en gebruik van onder meer een keyboard - alsmede ten aanzien van de in het kerkgebouw gehouden voorbereidende bijeenkomsten ten behoeve van het oefenen door zangkoren en organisten - waarbij eveneens van bedoelde vormen van geluidversterking gebruik werd gemaakt -, wegens overtreding van onder meer de in artikel 2.17 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) gestelde geluidnormen een last onder dwangsom opgelegd.

2.2. Het Leger des Heils betoogt dat het college niet bevoegd is ter zake handhavend op te treden. Hiertoe stelt het Leger des Heils dat het college er ten onrechte van uitgaat dat artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in dit geval van toepassing is. Volgens het Leger des Heils valt het tijdens de kerkdiensten, alsmede het tijdens de voorbereidende bijeenkomsten veroorzaakte geluid volledig onder de uitzondering van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit. In dit verband verwijst het Leger des Heils naar de nota van toelichting op het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415) waaruit volgens hem blijkt dat met het uitzonderen van het - versterkte en onversterkte - geluid in verband met godsdienstige bijeenkomsten van de in het Activiteitenbesluit gestelde geluidnormen bedoeld is recht te doen aan het in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van godsdienst.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de uitzondering van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op versterkt geluid dat tijdens de kerkdiensten alsmede de voorbereidende bijeenkomsten wordt veroorzaakt. Hierop zijn volgens hem de geluidnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit onverkort van toepassing. Volgens het college strekt de in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit opgenomen uitzondering ertoe dat wel het in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet neergelegde recht wordt beschermd, maar niet de rechten die connex zijn aan dit recht. Het college stelt zich hierbij op het standpunt dat het onversterkte geluid dat wordt veroorzaakt bij kerkdiensten en bij oefenbijeenkomsten onder het in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet opgenomen recht valt en dat het gebruikmaken van versterkt geluid als connex recht moet worden aangemerkt.

Het college stelt verder dat op 17 mei 2009 en 31 mei 2009 tijdens twee kerkdiensten alsmede een voorbereidende bijeenkomst geluidmetingen zijn uitgevoerd. Hierbij zijn een waarde van 67 dB(A) op de gevel van een naburige woning alsmede een binnenwaarde van 43 dB(A) in de aan het kerkgebouw aanpandige woning gemeten. Volgens het college leidt het gebruik van een microfoon tijdens de kerkdiensten door de voorganger niet tot een overschrijding van de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit gestelde geluidnormen. Dit heeft het Leger des Heils niet weersproken.

2.2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of versterkt geluid dat tijdens de kerkdiensten alsmede de voorbereidende bijeenkomsten wordt veroorzaakt, onder de in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit geregelde uitzondering valt.

2.2.3. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voorts mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in aanpandige gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 35, 30 en 25 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 2.17 het geluid in verband met het houden van godsdienstige bijeenkomsten, buiten beschouwing.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Grondwet heeft ieder het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 januari 1996 in zaak nr. R03.90.3668; AB 1996, 179) is het gebruikmaken van geluidversterkende apparatuur een aan het in artikel 6 van de Grondwet beschermde recht verbonden ('connexe') recht op geluidversterking. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het connexe recht op geluidversterking als zodanig aan het in artikel 6 van de Grondwet beschermde recht ondergeschikt is en daarvan dient te worden onderscheiden.

Nu het recht op geluidversterking als connex recht niet rechtstreeks onder de bescherming van artikel 6 van de Grondwet valt, ziet de voorzitter in de tekst van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit en in de nota van toelichting onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever heeft bedoeld dat de in die bepaling vervatte uitzondering mede ziet op geluidversterking tijdens kerkdiensten. Evenmin ziet de voorzitter voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de in die bepaling vervatte uitzondering mede ziet op voorbereidende bijeenkomsten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit gestelde geluidnormen mede op het versterkte geluid tijdens kerkdiensten en voorbereidende bijeenkomsten van toepassing zijn.

2.2.5. Uit de op 17 mei 2009 en 31 mei 2009 verrichte geluidmetingen blijkt dat de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit gestelde geluidnormen zijn overschreden. Hieruit volgt dat in strijd met artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit is gehandeld, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.3. Gezien het vorenstaande wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010

407-596.