Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200905037/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2009, kenmerk 2009/0076716, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haaksbergen (hierna: de raad) bij besluit van 29 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003, herziening ex artikel 30 WRO" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905037/1/R2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Haaksbergen,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009, kenmerk 2009/0076716, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haaksbergen (hierna: de raad) bij besluit van 29 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003, herziening ex artikel 30 WRO" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door H.A.M. Plegt, is verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door ing. R.C. Oude Moleman, werkzaam bij de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autobedrijf Aktief B.V., vertegenwoordigd door H. Siemerink en bijgestaan door mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan is mede opgesteld ter voldoening aan artikel 30 van de WRO en heeft, voor zover hier van belang, betrekking op een perceel grond tussen de begraafplaats aan de Beckummerweg en de woning van [appellant] aan [locatie].

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Woonhuizen" aan de Beckummerweg nabij de begraafplaats en Autobedrijf Aktief waar de bouw van een woning mogelijk is gemaakt. Hij vreest onevenredige aantasting van zijn woongenot en privacy. Voorts is [appellant] van mening dat de situering van de woning stedenbouwkundig niet wenselijk is. Het bouwvlak is niet zoals gebruikelijk op ongeveer 5 meter van de weg geprojecteerd maar achter op het perceel om voldoende afstand tot de begraafplaats te houden. Voorts betoogt [appellant] dat er ten onrechte geen akoestisch onderzoek en geen flora- en faunaonderzoek is verricht en dat de voorziene woning alleen ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats aan de Beckummerweg kan worden ontsloten. Verder betoogt hij dat de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (hierna: PCFL) op 13 juni 2005 nog negatief geadviseerd heeft over het plandeel in het bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003". Ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat artikel 12, tweede lid, onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) is geschonden nu het plan niet is vergezeld van een toelichting waarin een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat wonen in een kern met zich kan brengen dat er als gevolg van omliggende woningen sprake is van verminderde privacy en een verminderd woongenot. De in het plan opgenomen woonbestemming leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen, aldus het college. Voorts wijst het college erop dat de PCFL met het nu voorliggende plan heeft ingestemd.

2.5. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 december 2006 in zaak nr. 200509840/1 inzake het beroep van [appellant] tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003" onder meer het volgende overwogen:

"2.13. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat hij bij de beoordeling van de vraag of de juiste indicatieve afstand van het garagebedrijf tot de te bouwen woning is aangehouden, is uitgegaan van de afstand van het bouwblok van het garagebedrijf tot de gevel van de te bouwen woning. Verweerder heeft aldus miskend dat bij de bepaling van de hindercirkel in een bestemmingsplan in beginsel als meetpunt de grens van het bestemmingsvlak dan wel van het perceel van het bedrijf dient te gelden, aangezien binnen dat gehele vlak hinderveroorzakende activiteiten kunnen plaatsvinden. Gelet hierop en nu verweerder niet heeft aangegeven op grond van welke argumenten het in dit geval gerechtvaardigd is om af te wijken van de indicatieve afstanden van de VNG-brochure, is het bestreden besluit op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd.

2.14. Verweerder heeft bij het bestreden besluit verder niet onderkend dat de bezwaren van appellanten tegen de lichtmasten zich niet alleen richten op de gevolgen van deze lichtmasten voor hun perceel, maar vooral tegen de gevolgen van de lichtmasten voor de nieuwe woning op het naastgelegen perceel. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom een maximale hoogte van de lichtmasten van 10 meter, ondanks de nabijheid van woonhuizen, in verband met inbraakgevoeligheid van het garagebedrijf nodig is. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet op voorhand aannemelijk is dat de beveiliging van het bedrijf niet op een andere passende wijze kan plaatsvinden.

[…]

2.16. Gelet op de overwegingen 2.13 en 2.14 berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonhuizen", zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart en artikel 7, onder B, aanhef en sub 2b, van de planvoorschriften. Het beroep is op deze punten gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd."

2.6. Naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft het college in zijn heroverwegingsbesluit van 10 juli 2007 het volgende overwogen:

"Wat betreft de bestemming 'Woonhuizen" voor de gedachte woning nabij de begraafplaats merken wij het volgende op. Beoordeeld moet worden of het projecteren van deze woning milieuhygiënisch aanvaardbaar is op korte afstand van het bestaande garagebedrijf. In de provinciale "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen" is aangegeven dat de afstanden uit de VNG-brochure "Bedrijvigheid en milieuzonering" bij de planbeoordeling moeten worden aangehouden. Voor een garagebedrijf en een woning geldt een indicatieve afstand van 30 meter waarbij de grens van het bestemmingsvlak als uitgangspunt geldt voor de meting. Te constateren valt dat de afstand tussen het garagebedrijf en de woonbestemming kleiner is dan 30 meter. Het gaat om een afstand van circa 16 meter. Van de indicatieve afstand van 30 meter kan in bepaalde gevallen gemotiveerd worden afgeweken. Wij stellen vast dat in de plantoelichting geen motivering is opgenomen waarmee het hanteren van een kleinere afstand wordt onderbouwd. Het projecteren van de nieuwe woning verdraagt zich derhalve niet met de naastgelegen bedrijfsbestemming. Dit betekent dat wij ons genoodzaakt voelen om onze goedkeuring aan de geprojecteerde woonbestemming te onthouden, dit zoals met rood is aangegeven op de plankaart.

Ook voor de mogelijkheid in het plan om bij het garagebedrijf lichtmasten met een maximale hoogte van 10 meter op te richten heeft de gemeente nagelaten te motiveren waarom dit, ondanks de nabijheid van woonhuizen, uit oogpunt van inbraakpreventie nodig is.

Geen aandacht is besteed aan het feit dat de bedrijfslichtmasten van een dergelijke hoogte lichthinder kunnen veroorzaken voor de bewoners van de in de buurt gelegen woonhuizen, waaronder die van reclamanten [appellant].

In verband hiermee onthouden wij onze goedkeuring aan artikel 7, onder B, aanhef en sub 2b van de planvoorschriften.

De betreffende bezwaren van reclamanten vinden wij gegrond."

2.7. De raad heeft naar aanleiding hiervan de planologische afstand tussen het plandeel en het garagebedrijf aangepast. Dit is gebeurd door een gedeelte te bestemmen als groenvoorziening en niet als garagebedrijf. De raad is van mening hiermee voldaan te hebben aan de verplichting ingevolge artikel 30 van de WRO.

2.8. In het bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003" was de afstand tussen het woonblok en de perceelgrens van het autobedrijf ongeveer 16 meter. Na de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2006 heeft het college goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woonhuizen" aan de Beckummerweg en aan de hoogteregeling voor de lichtmasten. Zoals hierboven is weergegeven, volgt uit de overwegingen in het besluit van 10 juli 2007 dat goedkeuring is onthouden, omdat niet gemotiveerd is afgeweken van de indicatieve afstanden uit de VNG-brochure en de hoogteregeling voor de lichtmasten niet afdoende is gemotiveerd. De verplichting ingevolge artikel 30 van de WRO ziet derhalve daarop.

Het thans voorliggende plan neemt het vorige besluit van het college in acht, nu een afstand tussen het plandeel en het autobedrijf van 30 meter in acht wordt genomen en de hoogteregeling voor de lichtmasten is beperkt.

De beroepsgronden van [appellant] dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek en geen flora- en faunaonderzoek is verricht, dat artikel 12, tweede lid, onder c, van het Bro 1985 is geschonden en dat de voorziene woning alleen ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats kan worden ontsloten, zien niet op hetgeen de raad naar aanleiding van het onthouden van goedkeuring aan het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan "St. Isidorushoeve 2003" moest aanpassen. Nu het plan voor het perceel alleen ziet op een reparatie van de gevolgen van het besluit van 10 juli 2007 en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de tussen gelegen periode zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan, kunnen deze beroepsgronden van [appellant], die hij ook niet in de vorige procedure had ingebracht, er in deze procedure niet toe leiden dat het goedkeuringsbesluit van het college, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Woonhuizen" aan de Beckummerweg, wordt vernietigd.

2.9. Het betoog van [appellant] dat de PCFL in de vorige procedure negatief had geadviseerd omtrent de goedkeuring van het plandeel kan reeds hierom niet tot het beoogde doel leiden omdat deze commissie in de huidige procedure wel positief heeft geadviseerd.

2.10. Wat betreft het in de vorige procedure uitdrukkelijk aangevoerde en onbesproken gebleven en thans weer aangevoerde betoog van [appellant] dat het plandeel aan de Beckummerweg een aantasting van woongenot met zich brengt voor de bewoners van de woningen aan [locatie], overweegt de Afdeling dat het perceel in een verstedelijkte omgeving ligt en de hierop voorziene woning op ongeveer 5 meter van de achtertuin en 15 meter van de achtergevel van de woning van [appellant] kan worden gebouwd. Hoewel dit gevolgen kan hebben voor de privacy en het woongenot van [appellant], acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze gevolgen zodanig ernstig zijn dat het college om die reden van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat had moeten uitgaan. Daarbij is nog van belang dat [appellant] zelf maatregelen kan treffen om mogelijkheden tot inkijk te beperken.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

371-649.