Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200903424/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij annex papegaaienkwekerij op [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4452
JOM 2012/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903424/1/M2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats], gemeente Hof van Twente,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Hof van Twente,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij annex papegaaienkwekerij op [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 2 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2009, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door M.G.B. Kamst, W. Hosbrink en J.P. Gelevert, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Tevens is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Procedure

2.2. [appellant sub 2] voert aan dat de besluitvormingsprocedure niet op de juiste wijze is doorlopen. Hij stelt hierbij dat hij in strijd met gedane beloften geen bericht heeft gekregen over een aantal onjuiste uitkomsten, dat hij het huis-aan-huis-blad waarin de ontwerpbeschikking en de vergunning werden gepubliceerd in de desbetreffende weken niet bij hem zijn bezorgd en dat hij en andere belanghebbenden niet zijn gehoord. Tevens stelt hij geen kennisgevingen te hebben ontvangen.

2.2.1. Het college stelt alle relevante stukken met inbegrip van een kennisgeving van de ontwerpbeschikking en de definitieve beschikking aan [appellant sub 2] te hebben toegezonden. Daarnaast stelt het college [appellant sub 2] en alle andere belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen.

2.2.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat hij het huis-aan-huis-blad en de kennisgevingen niet heeft ontvangen. Zelfs indien moet worden aangenomen dat hij bedoeld blad niet zou hebben ontvangen, had het op zijn weg gelegen ofwel alsnog te zorgen in het bezit te komen van het blad (ten einde de publicaties van de gemeente te lezen) dan wel bij het college inlichtingen in te winnen omtrent de in die week eventueel genomen besluiten. Ook anderszins is uit hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd niet gebleken dat de besluitvormingsprocedure niet op de juiste wijze is doorlopen. Deze beroepsgronden falen.

Ammoniak

2.3. [appellanten sub 1] voeren aan dat ammoniak een giftig gas is dat diverse negatieve effecten op het menselijk lichaam kan bewerkstelligen. Zij wijzen in dit verband op een aantal publicaties waarin het gevaar van ammoniak voor de volksgezondheid centraal staat.

Het aspect volksgezondheid is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de concentratie waarbij ammoniak vrijkomt uit een veehouderij dusdanig laag is dat deze geen nadelige effecten voor de volksgezondheid kan hebben. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten sub 1] voeren aan dat het college gebruik maakt van interne saldering voor de oude stallen waardoor de emissie van ammoniak in werkelijkheid hoger is dan in de berekeningen wordt opgegeven. Zij vragen zich af of de oude stallen nog wel voldoen aan het beginsel van de beste beschikbare technieken.

2.4.1. Het college stelt toepassing te hebben gegeven aan de interne salderingsmethode, opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. Volgens het college blijkt uit de bij de aanvraag gevoegde berekening dat door de toepassing van interne saldering de ammoniakemissie op inrichtingsniveau afneemt.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geldt het eerste lid niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.40, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening moet worden beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften moet voldoen.

2.4.3. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200708807/1 ligt besloten, moet artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij zo worden uitgelegd dat sprake is van toepassing van de beste beschikbare technieken wanneer de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven niet hoger is dan de som van de ammoniakemissies die als maximale emissiewaarden bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting (ten tijde van het nemen van het bestreden besluit opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij) zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem.

Op 1 januari 2007 waren de huisvestingssystemen van de stallen reeds in de veehouderij aanwezig. Uit de bijlage bij het bestreden besluit blijkt dat indien alle afzonderlijke stalsystemen in de inrichting met een emissiearm huisvestingssysteem zouden zijn uitgevoerd waarvan de ammoniakemissie gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde de totale ammoniakemissie van de inrichting 3.958 kg per jaar zou zijn. Tevens blijkt dat, door de toepassing in stal 10 van een chemische luchtwasser, de in totaal vergunde ammoniakemissie met 3.086 kg per jaar lager is. Op deze manier voldoet de totale ammoniakemissie waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend ten minste aan de norm geldend voor de situatie waarin alle afzonderlijke stalsystemen zouden voldoen aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in de Regeling ammoniak en veehouderij.

Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij in zoverre niet noopt tot weigering van de gevraagde milieuvergunning en dat, wat de emissie van ammoniak van de inrichting betreft, wordt voldaan aan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken. De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.5. [appellanten sub 1] voeren aan dat de pluimveehouderij bij de woningen [locaties a en b] al ruim voor 19 maart 2000 was gestopt. Volgens hen is op de woningen niet de vaste afstand van 50 meter, maar de geurnorm van 14 OUE/m3 van toepassing. Zij stellen dat het college ten onrechte niet bekeken heeft of aan deze norm kan worden voldaan.

2.5.1. Het college stelt dat de woningen behoren tot een voormalig pluimveebedrijf waar tot 2 juli 2002 nog rechten waren voor het houden van dieren. Omdat de pluimveehouderij niet voor de toetsingsdatum van 19 maart 2000 uit de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) is gestopt geldt volgens het college voor de desbetreffende woningen een vaste afstand van 50 meter.

2.5.2. Het beschermingsregime inzake geurhinder vanwege veehouderijen is neergelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). Ingevolge artikel 1 van de Wgv wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Ingevolge artikel 3 van de Wgv wordt een milieuvergunning geweigerd indien de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object de in het eerste lid genoemde normen overschrijdt. In afwijking van deze normen gelden de in het tweede lid genoemde afstanden voor een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is aannemelijk geworden dat de pluimveehouderij aan de [locatie a en b] na 19 maart 2000 is beëindigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, Wgv geldt voor voormalige bedrijfswoningen een vaste afstand van 50 meter. Uit de stukken blijkt dat de afstand tussen de woningen aan de [locaties a en b] meer dan 50 meter bedraagt zodat aan deze afstandsnorm kan worden voldaan. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten sub 1] voeren aan dat het college inconsequent is door de woning aan de [locatie c] als een burgerwoning aan te merken. Volgens hen blijkt uit een inventarisatie dat daar een milieuvergunning voor een pluimveehouderij geldt. Zij stellen dat daardoor niet aan de geldende afstandseis kan worden voldaan.

2.6.1. Het college stelt in het verweerschrift dat de [locatie c] een voormalige bedrijfswoning is die behoort tot een inrichting waar tot 2008 kippen mochten worden gehouden.

2.6.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de woning aan de [locatie c] valt aan te merken als een geurgevoeligobject dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wgv. Tevens blijkt dat aan de daarvoor geldende afstandsnorm van 50 meter kan worden voldaan. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten sub 1] voeren aan dat de drie emissiepunten van stal 6 verkeerd zijn gesitueerd. Volgens hen liggen ze niet vlak bij de gevel, maar midden op het dak en daarmee veel dichterbij de woning op de [locatie c].

2.7.1. Het college stelt dat het feit dat de emissiepunten van stal 6 thans feitelijk anders zijn gesitueerd er niet aan af doet dat in de situatie waarvoor vergunning wordt gevraagd wordt voldaan aan de afstandsnormen van de Wgv.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat in de situatie waarvoor vergunning wordt gevraagd wordt voldaan aan de afstandsnormen van de Wgv. De omstandigheid dat de inrichting niet in overeenstemming met de verleende vergunning in werking is doet hieraan niet af. Gelet hierop heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.8. [appellanten sub 1] voeren aan dat regenkappen de stank op korte afstand van een inrichting kunnen beïnvloeden. In een stankberekening hebben regenkappen een negatieve invloed op de resultaten. Uit de aanvraag blijkt niet wat het effect van de kappen op de stankverspreiding zal zijn.

2.8.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat de regenkappen inderdaad niet zijn aangevraagd en dat het desbetreffende voorschrift per abuis in de vergunning is opgenomen.

2.8.2. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De in voorschrift 1.6 voorgeschreven regenkappen worden niet in de aanvraag vermeld. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid. Deze beroepsgrond slaagt.

2.9. [appellanten sub 1] voeren aan dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de achtergrondbelasting van geur in de omgeving al extreem hoog is. In dit verband verwijzen zij naar een eerder geweigerde vergunning, naar een uitgevoerd plan-MER en naar de gemeentelijke beleidsvisie "Veehouderij op koers". Tevens stellen zij dat een berekening met het programma "V-stacks gebied" had moeten worden uitgevoerd.

2.9.1. Het college stelt dat bij individuele vergunningverlening geen rekening mag worden gehouden met cumulatie van stankhinder. Dit aspect komt aan de orde bij het opstellen van een bestemmingsplan voor het buitengebied. Het college onderkent dat de omgeving van de Slakkenweg een zwaar met geurbelast gebied is. In het kader van de beleidsvisie "Veehouderij op koers" is een nieuwe vestiging van een intensieve veehouderij niet toegestaan, maar hier is er sprake van een uitbreiding van een bestaande veehouderij die wel is toegestaan.

2.9.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan de in dit artikel genoemde waarden.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat het geurberekeningsmodel "V-stacks gebied" niet bestemd is om voor individuele vergunningen te worden gebruikt.

Verder stelt de Afdeling vast dat uit artikel 3, eerste lid, van de Wgv, bezien in samenhang met artikel 2, eerste lid, volgt dat bij toetsing aan de daarin genoemde grenswaarden slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen. Een beoordeling van eventuele cumulatieve geurbelasting is niet toegestaan. Deze beroepsgrond faalt.

2.10. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de verschillende geurberekeningen met het computerprogramma "V-stacks vergunning" steeds weer andere gegevens opleveren. De waarden die op pagina 11 van de considerans staan zijn niet juist en de brongegevens zijn niet bij de berekening gevoegd. Daardoor is de vergunning niet verifieerbaar. Bovendien hadden volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] ook geurgevoelige objecten op een grotere afstand in de berekeningen betrokken moeten worden. Hierdoor zijn de berekeningen volgens hen niet conform de Wgv uitgevoerd.

2.10.1. Het college stelt dat op pagina 11 van de considerans per abuis verkeerde gegevens staan vermeld. Uit bijlage 3 van het besluit blijkt echter op welke waarden het besluit is gebaseerd. Het college stelt verder na het bestreden besluit volledigheidshalve een aanvullende berekening te hebben uitgevoerd voor geurgevoelige objecten die op een grotere afstand zijn gelegen. Daaruit blijkt dat aan de van toepassingzijnde geurnorm wordt voldaan.

2.10.2. Het college heeft het computerprogramma "V-stacks vergunning" gehanteerd voor het berekenen van de geurbelasting van het onderhavige bedrijf. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de bij de aanvraag gevoegde V-stacks berekeningen niet juist waren. Tevens blijkt dat bij de door het college zelf gemaakte berekeningen is uitgegaan van een beperkt aantal immissiepunten in de directe omgeving van de inrichting. Uit de toelichting bij "V-stacks vergunningen" komt naar voren dat het onder de onderhavige omstandigheden met een hoog emissiepunt en een hoge uittreesnelheid voor het verkrijgen van een volledig beeld van de geurbelasting noodzakelijk is om ook op een grotere afstand gelegen woningen bij de berekening te betrekken.

Daarnaast blijkt dat het op pagina 11 van de considerans bij het bestreden besluit gegeven overzicht onjuiste waarden voor de berekening van de geurbelasting vermeldt. De juiste waarden waarop de berekeningen in het besluit zijn gebaseerd zijn eerst na het nemen van dit besluit in het dossier opgenomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid. In zoverre slaagt het beroep en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Uit een bij het verweerschrift gevoegde nieuwe berekening waarin wel meerdere immissiepunten in de wijdere omgeving zijn opgenomen blijkt echter dat ook op grotere afstanden en bij andere windrichtingen kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde geurnormen. Gelet op het vorenstaande moet, achteraf bezien, worden geconcludeerd dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat aan de normen van de Wgv wordt voldaan. De Afdeling acht derhalve termen aanwezig om in zoverre de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.11. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.12. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 24 maart 2009, kenmerk MPM 6171;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behoudens voor zover het vergunningvoorschrift 2.6 betreft;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor A. [appellanten sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor S. [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

315.