Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200907419/1/H1 en 200907495/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6236, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college) aan Stichting Zuidwester vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een zorgcomplex, bestaande uit vier gebouwen ten behoeve van de huisvesting en dagbesteding van cliënten op het perceel Rommerswalestraat 1 te Goes (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907419/1/H1 en 200907495/1/H1.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 augustus 2009 in zaken nrs. 09/348 en 09/351 in het geding tussen:

[appellanten sub 1],

[appellant sub 2],

[appellant sub 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Goes (hierna: het college) aan Stichting Zuidwester vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een zorgcomplex, bestaande uit vier gebouwen ten behoeve van de huisvesting en dagbesteding van cliënten op het perceel Rommerswalestraat 1 te Goes (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft het college het door, voor zover hier van belang, [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en met verbetering van de motivering het besluit van 31 oktober 2008 gehandhaafd.

Bij uitspraken van 27 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) de door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009 en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 12 maart 2010, waar [appellant sub 2] in persoon, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniëlse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de Stichting Zuidwester, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen en W.G.J. van Gorp, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft, ingevolge artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoger beroepen vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2.2. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat niet zeker is dat de aanvraag om bouwvergunning, zoals het college stelt, op 30 juni 2008 bij het college is ingekomen, omdat de aanvraag niet is voorzien van een stempel van de gemeente met de datum van ontvangst. Daarom is het volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] niet zeker dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die op 1 juli 2008 is komen te vervallen en is vervangen door de Wet ruimtelijke ordening, op dit geschil van toepassing is.

2.2.1. Nu [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] hun enkele stelling niet hebben onderbouwd en het college daartegenover stelt dat de handgeschreven datum van binnenkomst op de aanvraag om bouwvergunning de juiste is, hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] hun stelling niet aannemelijk gemaakt en moet het er voor worden gehouden dat 30 juni 2008 de datum is waarop de aanvraag is ingekomen. Het betoog faalt.

2.3. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een zorgcomplex, dat wordt gevormd door vier vrijstaande gebouwen, die een binnenruimte omsluiten. Het zorgcomplex is bedoeld voor de huisvesting van en zorg voor 64 personen met een verstandelijke beperking.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "West" (hierna: het bestemmingsplan), omdat de gebouwen niet volledig binnen het op de plankaart aangeduide bebouwingsvlak met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" vallen en ten dele zijn voorzien op gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen". Voorts wordt ter plaatse van de zogeheten voorzieningengebouwen de maximaal toegestane dakvoethoogte overschreden. Het college heeft met gebruikmaking van artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.6. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Masterplan Goes-West (hierna: het masterplan) niet van toepassing is op het bouwplan. Juist omdat het zorgcomplex zal zijn gelegen binnen het gebied dat door het masterplan wordt beschreven, moet rekening worden gehouden met de stedenbouwkundige uitgangspunten van het omliggende gebied. [appellant sub 2] betoogt dat de vrijstelling niet had mogen worden verleend, omdat het bouwplan inhoudt dat de rooilijnen aan alle zijden worden overschreden en omdat de inbreuk op de planologische situatie drastisch is.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het masterplan niet van toepassing is op het bouwplan, nu het perceel niet is gelegen op gronden waarop het masterplan ziet. Het masterplan ziet slechts op de stedelijke vernieuwing van woningen en terreinen die in eigendom zijn van woningbouwverenigingen en van de gemeente. Dit perceel behoort daartoe niet. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing die het college aan de verleende vrijstelling ten grondslag heeft gelegd, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In de Ruimtelijke Onderbouwing Goes-West, gedeelte Rommerswalestraat, gedateerd juli 2008, is verwezen naar de stedenbouwkundige visie Goes-West, die door de raad van de gemeente Goes bij besluit van 10 november 2005 is vastgesteld. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals die zijn neergelegd in de stedenbouwkundige visie Goes-West. Een van die voorwaarden is dat de rooilijnen merendeels worden ontleend aan de omringende bebouwing. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat wat de hoogte en rooilijnen betreft aansluiting is gezocht bij de omliggende bebouwing. Het college heeft in de ruimtelijke onderbouwing tevens de relatie van het bouwplan tot de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan toegelicht, en gemotiveerd dat de effecten van het bouwplan niet groter zijn dan die bij gebruikmaking van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Het betoog van [appellant sub 2] dat de activiteiten die in het zorgcomplex zullen worden ontplooid niet in overeenstemming zijn met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", faalt eveneens. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden met inachtneming van de op de kaart aangegeven subbestemming bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Volgens de legenda bij de plankaart worden onder "Maatschappelijke doeleinden" onder andere verstaan medische voorzieningen en welzijnsvoorzieningen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bedoelde activiteiten hieronder begrepen kunnen worden.

2.7. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met het realiseren van twintig parkeerplaatsen ruimschoots wordt voldaan aan de parkeerbehoefte en dat een mogelijke toename van de verkeersintensiteit voor het college geen reden was vrijstelling van het bestemmingsplan te weigeren. Zij voeren daartoe aan dat de parkeersituatie door realisering van het bouwplan verslechtert, onder meer doordat een aanzienlijk aantal van de huidige parkeerplaatsen zal verdwijnen.

2.7.1. Het college is voor het vaststellen van het aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan van de parkeerkencijfers die door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) worden gebruikt. Omdat ervan wordt uitgegaan dat de bewoners van het zorgcomplex veelal niet over een auto beschikken, zijn deze kencijfers gebaseerd op het te verwachten personeel en bezoek. Nu de norm per wooneenheid 0,5 tot 0,7 bedraagt en het bouwplan voorziet in tien groepswoningen, kan een aantal van twintig parkeerplaatsen ruim voldoende worden geacht voor de parkeerbehoefte van het zorgcomplex zelf alsmede van eventuele aanvullende voorzieningen. Voor zover [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] verwijzen naar de kantoorfunctie die in een van de gebouwen is voorzien, wordt overwogen dat de daarmee verband houdende parkeerbehoefte wordt toegeschreven aan de werknemers van het zorgcomplex en in de genoemde norm per wooneenheid is verdisconteerd. Dat de kantoorfunctie in overwegende mate voor andere doeleinden dan ten behoeve van het zorgcomplex zal worden gebruikt, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat door realisering van het bouwplan het aantal verkeersbewegingen niet zodanig zal toenemen dat het college op grond hiervan in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan had moeten weigeren. Het betoog faalt.

2.8. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] betogen tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college mocht afgaan op het advies van de welstandscommissie. Het advies is onvoldoende gemotiveerd, omdat het bouwplan niet in overeenstemming is met van toepassing zijnde beleidsplannen, aldus [appellanten sub 1] en [appellant sub 3].

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

Het college heeft het bouwplan voorgelegd aan de welstandscommissie, die het heeft getoetst aan de welstandsnota van de gemeente Goes. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat het advies zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag mocht leggen. Voorts hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] hun stelling dat het bouwplan strijdig is met beleidsplannen, waardoor volgens hen het advies niet deugdelijk is gemotiveerd, niet nader onderbouwd. Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 2] betoogt voorts dat geen aandacht is besteed aan alternatieven voor het bouwplan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet is gebleken dat dit laatste kan worden bereikt met de suggestie van [appellant sub 2] het gevelvlak van gebouw drie en gebouw vier naar achteren te laten verspringen in plaats van naar voren en gebouw drie 78 graden te laten roteren. Het betoog faalt.

2.10. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan kon verlenen. Nu zich voorts geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voordoen, was het college gehouden de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

2.11. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

357-619.