Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200907305/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de dakopbouwen op de percelen Fluitekruidweg 5 en 7 te Zaandam (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907305/1/H1.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 augustus 2009 in zaak nr. 09/1903 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de dakopbouwen op de percelen Fluitekruidweg 5 en 7 te Zaandam (hierna: de percelen).

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Heikens, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De dakopbouwen vormen een extra verdieping op de woningen op de percelen en bestaan uit een recht opgetrokken gedeelte, waarop een dak is geplaatst met twee hellende vlakken en een dakhelling van 30o ten opzichte van het horizontale vlak. Bij besluiten van 10 december 1996 heeft het college bouwvergunning verleend voor de beide dakopbouwen. [appellant] woont aan de [locatie] te [plaats].

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in het besluit op bezwaar mocht uitgaan van de bij de bouwvergunning behorende situatietekening en dat deze tekening bepalend is voor hetgeen mag worden gebouwd. Volgens hem zijn juist de maten van de constructietekening bepalend en blijkt uit de constructietekening dat een nokhoogte van 8,42 m mag worden gerealiseerd. Aangezien de feitelijke nokhoogte 9,00 m bedraagt, hebben de vergunninghouders de bouwplannen uitgevoerd in afwijking van de verleende bouwvergunningen. Om die reden dient het college ter zake handhavend op te treden.

2.2.1. De bouwvergunningen voor de dakopbouwen zijn voorzien van een situatietekening met schaalaanduiding. Volgens deze situatietekening bedraagt de goothoogte van de dakopbouwen ongeveer 7,40 m en de nokhoogte ongeveer 9,00 m. Het bouwplan is in overeenstemming met deze maten uitgevoerd, hetgeen blijkt uit de inmeting die op 30 september 2009 door een toezichthouder van de gemeente is verricht. In zoverre bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de dakopbouwen in afwijking van de bouwvergunningen zijn gebouwd. Nu geen sprake is van een overtreding, was er voor het college geen aanleiding ter zake handhavend op te treden. De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen. Het betoog faalt.

2.2.2. Hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

357-619.