Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200909490/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Helsdingen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909490/1/R2.

Datum uitspraak: 7 april 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Vianen,

en

de raad van de gemeente Vianen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Helsdingen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [een van de appellanten] en de raad, vertegenwoordig door J. Ariaans en H.C. Vervloedt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt een herinrichting van het plangebied en voorziet onder meer in de mogelijkheid tot het realiseren van een appartementencomplex op de hoek van de Helsdingse Achterweg en Het Slijk (hierna: het appartementencomplex).

Aantasting karakter van de wijk

2.2. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plan voor zover dit de bouw van het appartementencomplex mogelijk maakt. Hiertoe voeren zij aan dat het appartementencomplex niet past in de omgeving, met name wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte.

2.2.1. De gronden waarop het appartementencomplex is voorzien hebben in het plan de bestemming "Gemengd". Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, van de planregels mag op deze gronden gestapelde bebouwing worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 4.2.2., onder b, in samenhang bezien met de verbeelding, bedraagt de maximale bouwhoogte voor het appartementencomplex deels dertien en deels zestien meter.

2.2.2. Het karakter van de omliggende wijk Monnikenhof blijft volgens de raad onveranderd. De raad merkt daarbij op dat de wijk grotendeels uit grondgebonden woningen bestaat doch dat er incidenteel gestapelde woningen aanwezig zijn, ondermeer aan de Benedictushof en Urselinehof. De raad acht de huidige locatie de beste optie voor hoogbouw mede gezien de afstand van 35 meter tussen het bouwvlak voor het appartementencomplex en de woning van [appellanten].

2.2.3. Gelet op de motivering van de raad heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het appartementencomplex geen aantasting van het karakter van de wijk tot gevolg heeft.

Aantasting woon- en leefklimaat

2.3. [appellanten] vrezen voorts een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen in dit verband op de schaduwwerking van het appartementencomplex. [appellanten] stellen dat uit een simulatieprogramma blijkt dat in vele maanden van het jaar de ochtendzon niet meer naar binnen schijnt. Verder stellen [appellanten] dat zij niet voldoende ingelicht zijn over de komst van het appartementencomplex noch over de schaduwwerking hiervan.

2.3.1. De raad stelt dat uit een bezonningsstudie blijkt dat slagschaduw van het appartementencomplex alleen tijdens de ochtenden in en rond de maand december over de voortuin van [appellanten] valt. In hun woning zullen zij geen last hebben van schaduwinval door het appartementencomplex. Een dergelijk verlies aan zonlicht acht de raad aanvaardbaar.

2.3.2. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat genoemd onderzoek naar de schaduwwerking van het appartementencomplex onzorgvuldig of anderszins onjuist is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zij hun standpunt niet met de resultaten van enig onderzoek hebben gestaafd.

Weliswaar neemt de zoninval in en rond de maand december af, doch de raad heeft na afweging van alle betrokken belangen hieraan in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen.

Ten aanzien van de informatieverschaffing van de raad wordt overwogen dat de raad geen informatieplicht heeft ten opzichte van individuele personen. [appellanten] hebben tijdig kennis kunnen nemen van de plannen van de raad op bij de Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven wijze en hebben daarop kunnen reageren.

2.4. [appellanten] stellen verder dat het appartementencomplex voor meer overlast zal zorgen, voornamelijk door de weerkaatsing van geluiden. De raad heeft bij het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met het weerkaatsen van geluiden door verkeer en wind, aldus [appellanten].

2.4.1. De raad stelt dat uit onderzoek blijkt dat ten gevolge van een betere afscherming van de A2 de totale geluidsbelasting over het algemeen iets afneemt. In dit onderzoek is reflectiegeluid door het appartementencomplex meeberekend. Het geluid zal voor woningen die aan Het Slijk liggen met maximaal 0,3 dB toenemen. De raad stelt dat voor zover er sprake is van een toename van de geluidsbelasting, er sprake is van een aanvaardbare toename.

2.4.2. Gelet op het voorgaande kunnen [appellanten] niet worden gevolgd in hun stelling dat reflectiegeluid niet is meeberekend. Weliswaar volgt uit het akoestisch onderzoek dat sprake is van een geringe toename van de geluidsbelasting op de woning van [appellanten], doch niet is gebleken dat dit leidt tot een onaanvaardbare toename.

2.5. [appellanten] vrezen voorts dat de verkeersdruk zal toenemen, terwijl het op het kruispunt Helsdingse Achterweg en Het Slijk al bijzonder druk is. Doordat het appartementencomplex zo dicht aan de straat wordt gerealiseerd zal de overzichtelijkheid van het kruispunt verminderen, aldus [appellanten].

2.5.1. De raad stelt dat er een toename van het aantal verkeersbewegingen zal plaatsvinden, doch dat dit niet tot een onaanvaardbare verkeersintensiteit leidt. De raad stelt dat dit standpunt wordt gedragen door een mobiliteitstoets, zoals vermeld in de plantoelichting. In deze mobiliteitstoets is onderzoek gedaan naar de (verkeers)effecten van het plangebied op de omliggende wegen. Met behulp van de CROW- publicatie 256 is een prognose gemaakt voor de verkeersgeneratie in motorvoertuigenbewegingen per gemiddelde werkdag (hierna: mvt/werkdagetmaal). De conclusie is dat Het Slijk en de Helsdingse Achterweg gezamenlijk 1171 mvt/werkdagetmaal extra moeten verwerken na realisering van het plan. De raad gaat ervan uit dat deze toename door beide wegen gelijk zal worden gedragen en stelt dat deze wegen de toename op een veilige manier kunnen verwerken. Daarbij heeft de raad in aanmerking genomen dat in 2010 het dubbele kruispunt bij de afrit van de A2 wordt heringericht, waardoor de capaciteit en de doorstroming in alle richtingen wordt verbeterd.

Wat betreft de verkeersveiligheid stelt de raad dat de kruising ter hoogte van Het Slijk en de Helsdingse Achterweg niet onoverzichtelijker wordt. Het appartementencomplex komt niet dusdanig dicht bij de weg dat dit het uitzicht op de kruising onaanvaardbaar beïnvloedt. Er worden bovendien verkeerstechnische maatregelen getroffen zoals een haaientanden markering op de oostelijke tak van de Helsdingse Achterweg, aldus de raad. Voorts stelt de raad in dit verband dat langs beide wegen gescheiden fietspaden liggen.

2.5.2. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename in verkeersbewegingen niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeersintensiteit op Het Slijk. Voor zover er als gevolg van het appartementencomplex al sprake is van een vermindering van het zicht op het kruispunt, heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet hoeft te leiden tot verkeersonveilige situaties, nu afdoende verkeersmaatregelen worden getroffen.

2.6. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het appartementencomplex niet zal leiden tot een zodanig ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat dat daaraan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

Financiële uitvoerbaarheid

2.7. [appellanten] stellen voorts dat de bouw van het appartementencomplex een waardedaling van hun woning tot gevolg zal hebben, nu het appartementencomplex een aantasting van de bouwstijl tot gevolg heeft alsmede de vermindering van ochtendzon.

2.7.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellanten] betreft, bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Alternatieve locaties

2.8. [appellanten] menen dat het appartementencomplex beter op een andere locatie kan worden gebouwd. Een zo groot massaal gebouw, zo dicht aan de straat, op een plek met alleen laagbouw erom heen is zeer onwenselijk. Er zijn volgens [appellanten] betere locaties zoals naast het Oosterlicht College of in het centrum van de geplande wijk.

2.8.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

2.8.2. De raad stelt dat de door [appellanten] aangedragen alternatieve locaties in de besluitvorming zijn betrokken. Het appartementencomplex bestaat grotendeels uit zorgwoningen. De raad heeft in verband hiermee van belang geacht dat in de directe nabijheid van de gekozen locatie winkels en een voorziening voor het openbaar vervoer liggen. Verder wijst de raad op de stedenbouwkundige motieven voor de bebouwing aan Het Slijk als afsluiting van de wijk en stelt dat ook in die zin de gekozen locatie de beste locatie is.

2.8.3. Uit het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting, blijkt dat met name de ligging nabij winkelvoorzieningen en openbaar vervoer haltes ten behoeve van de toekomstige bewoners van het zorgcomplex, als voordelen worden gezien ten opzichte van een ligging van het complex elders in het plangebied. De voor- en nadelen zijn aldus tegenover elkaar afgewogen.

De raad heeft in redelijkheid een grotere betekenis kunnen toekennen aan de nabijheid van voorzieningen waar toekomstige bewoners van het appartementencomplex op zijn aangewezen dan aan de voor [appellanten] uit oogpunt van een goed woon- en leefklimaat gunstigere ligging elders in het plangebied.

Heiwerkzaamheden

2.9. Voorts stellen [appellanten] dat het bouwen van het appartementencomplex grote schade aan hun woning kan veroorzaken.

2.9.1. Omtrent hetgeen door [appellanten] wordt aangevoerd inzake de heiwerkzaamheden en de eventuele schade die dit tot gevolg heeft, wordt overwogen dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010

429-647.