Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200907968/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland opnieuw beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veere bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, begraafplaats".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907968/2/R2.

Datum uitspraak: 29 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland opnieuw beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veere bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, begraafplaats".

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. J.A. Platteeuw, advocaat te Middelburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door L.M. Louwerse, F. Wisse, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. C.N. Visser, werkzaam bij Royal Haskoning.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van de begraafplaats van Westkapelle op het perceel naast het perceel van [verzoekers].

2.3. De raad heeft aangegeven dat hij maatregelen heeft moeten treffen om extra ruimte te creëren, vanwege het dreigende ruimtegebrek op de bestaande begraafplaats. De raad wil daarom op korte termijn beginnen met de uitbreiding van de begraafplaats. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.4. Het college heeft bij besluit van 26 juni 2007 besloten over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening". De Afdeling heeft dit besluit voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden, begraafplaats" is goedgekeurd bij uitspraak van 8 oktober 2008, no. 200706103/1 vernietigd. Hiertoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

2.29. "[verzoekers] stellen voorts dat zij thans reeds wateroverlast ondervinden omdat bij hevige regenval de naast hun perceel gelegen sloot overstroomt. Voor de voorziene uitbreiding van de begraafplaats dienen de naast hun perceel gelegen gronden te worden opgehoogd en zij vrezen dat als gevolg daarvan de wateroverlast zal toenemen.

2.29.5. Uit de bovengenoemde stukken en het verhandelde ter zitting leidt de Afdeling af dat thans reeds sprake is van een overbelaste situatie, veroorzaakt door een slechte lokale afwatering. (…) Uit de notitie van het waterschap van 7 juni 2006 leidt de Afdeling, anders dan de raad en het college, af dat niet zonder meer vaststaat dat de wateroverlast die [verzoekers] thans ondervinden niet zal toenemen als gevolg van de ophoging van de naast hun perceel gelegen gronden. Het waterschap stelt immers enerzijds dat door ophoging meer waterberging ontstaat in de grond hetgeen positief werkt bij veel neerslag, maar anderzijds dat met name als gevolg van de ophoging van het terrein de mogelijkheid om het teveel aan water op te vangen door dit te spreiden zal verminderen, waardoor de wateroverlast kan verergeren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de wateroverlast die [verzoekers] thans ondervinden niet zal toenemen als gevolg van de voorziene uitbreiding van de begraafplaats."

2.5. Ten behoeve van het tweede besluit omtrent goedkeuring heeft de raad onderzoek laten verrichten door Royal Haskoning. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Beschouwing watersysteem begraafplaats Westkapelle, uitbreidingslocatie noord-oostzijde" van 25 november 2008 en de aanvullende notitie "Toelichting beschouwing watersysteem begraafplaats Westkapelle" van 28 april 2009. Uit deze stukken kan worden afgeleid dat het perceel van [verzoekers] door de lage ligging, de geringe drooglegging en de kleiige samenstelling van de grond gevoelig is voor wateroverlast. In het rapport en de aanvullende notitie is uiteengezet dat de situatie zal verbeteren door op het perceel waarop de uitbreiding van de begraafplaats wordt gerealiseerd, grondverbetering toe te passen en drainage aan te leggen op een wijze als in de aanvullende notitie nader uiteengezet, en voorts door het aanleggen van een nieuwe watergang en een zogenoemde plasberm. Zo fungeert de nieuwe watergang als een extra afwateringsmogelijkheid door een verbinding te vormen tussen de ten noorden van het perceel gelegen primaire watergang en de erfsloot die aansluit op de ten zuiden van het perceel gelegen primaire watergang. Door het plaatsen van een stuw kan het water bij een stijging van het oppervlaktewaterpeil in de erfsloot overstorten naar de noordelijk gelegen watergang. Daarnaast zorgt de drainage voor een versnelde afvoer van het regenwater. Doordat de drainage wordt aangesloten op de nieuwe watergang, wordt de erfsloot ontlast. De plasberm ten slotte kan fungeren als tijdelijke berging bij zware regenval.

2.6. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat de uitbreiding van de begraafplaats niet zal leiden tot een toename van de wateroverlast op het perceel van [verzoekers] als de door Royal Haskoning voorgestelde maatregelen worden genomen. Door de raad is er daarbij op gewezen dat de te treffen maatregelen niet alleen niet tot een toename van de bestaande wateroverlast zullen leiden, maar dat ook de wateroverlast die nu wordt ondervonden, daardoor zal verminderen.

2.7. Als reactie op het rapport en de aanvullende notitie van Royal Haskoning verwijzen [verzoekers] naar in opdracht van hen opgestelde deskundigenrapporten van Nelen en Schuurmans. Hierin wordt geadviseerd om een hydrologische analyse uit te laten voeren van de huidige werking van het lokale waterhuishoudkundige systeem en de werking van de riolering, om een zo volledig mogelijk beeld hiervan te verkrijgen teneinde een haalbare oplossing voor het bestaande wateroverlastprobleem te kunnen bereiken. Nu een dergelijke analyse niet is uitgevoerd, is volgens Nelen en Schuurmans onduidelijk of de door Royal Haskoning voorgestelde maatregelen afdoende zijn om het wateroverlastprobleem op te lossen. Ook gaat Royal Haskoning in zijn onderzoek uit van onjuiste en onvolledige gegevens en zijn de conclusies uit het onderzoek onvoldoende onderbouwd, aldus Nelen en Schuurmans. Voorts betogen [verzoekers] dat de aanleg van een nieuwe watergang over het ten noorden gelegen perceel niet mogelijk is, omdat de eigenaren van dit perceel hiervoor geen toestemming hebben gegeven.

2.8. De voorzitter stelt voorop dat in deze bestemmingsplanprocedure uitsluitend de vraag aan de orde kan komen of het college voldoende heeft gemotiveerd dat de wateroverlast die [verzoekers] thans bij hevige regenval op hun perceel ondervinden niet zal toenemen door de voorziene uitbreiding van de begraafplaats. Gelet op het rapport en de aanvullende notitie van Royal Haskoning en de toelichting hierop die Royal Haskoning ter zitting heeft gegeven, acht de voorzitter het aannemelijk dat door de grondverbetering, de aanleg van drainage, een extra watergang, een zogenoemde plasberm en een stuw de waterhuishoudkundige situatie op het perceel van [verzoekers] niet zal verslechteren. In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek van Royal Haskoning onzorgvuldig is uitgevoerd of onjuistheden bevat. Dat, naar gesteld, een meer compleet beeld zou kunnen worden verkregen over het lokale waterhuishoudkundige systeem, indien een hydrologische onderzoek zou worden uitgevoerd, doet hier niet aan af. Voorts is gelet op de stukken voldoende vast komen te staan dat van de kant van de grondeigenaren zal worden meegewerkt aan de aanleg van de nieuwe watergang. Gelet op het voorgaande heeft het college mogen afgaan op het onderzoek van Royal Haskoning, waardoor voldoende is gemotiveerd dat de wateroverlast die [verzoekers] thans op hun perceel ondervinden niet zal toenemen door de voorziene uitbreiding van de begraafplaats. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2010

234-618.