Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BM0159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200909656/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Vledder 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909656/2/R1.

Datum uitspraak: 29 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Westerveld, handelend onder de naam [bedrijf sub 1],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Westerveld, handelend onder de naam [bedrijf sub 2], en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Westerveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Vledder 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2009, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, hebben [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij [kantoor gemachtigde], [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door J. Zwier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Coop Supermarkten B.V. en Coop Vastgoed B.V. (hierna in enkelvoud: Coop), vertegenwoordigd door [exploitant] van de vestiging in Vledder, [partijen], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de kern Vledder en maakt onder meer een uitbreiding van de in het plangebied gevestigde supermarkt mogelijk.

2.3. [verzoeker sub 2] en anderen en [verzoeker sub 1] (hierna tezamen: [verzoeker sub 2] en anderen) voeren aan dat de uitbreiding van de supermarkt Coop onaanvaardbare gevolgen heeft voor de uitoefening van hun bedrijfsvoeringen. In dit verband wijzen zij onder meer op de verslechtering van hun concurrentiepositie en de mogelijkheid dat een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan.

2.3.1. De raad stelt dat het college van burgemeester en wethouders op 24 juli 2007 een principebesluit heeft genomen waarin is besloten medewerking te verlenen aan de uitbreiding van de supermarkt. De raad acht in navolging van het college de uitbreidingsmogelijkheden van de supermarkt aanvaardbaar nu deze vooral is bedoeld voor een betere en modernere inrichting van de winkelruimte en niet zozeer voor een uitbreiding van het assortiment.

2.3.2. Coop stelt dat zij zich in 2005 in het bestaande pand heeft gevestigd - waarin tot die tijd een andere supermarkt was gevestigd - en dat de omzet in de daarop volgende jaren aanzienlijk is gestegen. De ondernemers in Vledder profiteerden in de afgelopen jaren eveneens van het feit dat de supermarkt Coop consumenten naar deze kern trok. De capaciteit van het gebouw waarin de supermarkt is gevestigd, is echter vanwege de groei van het aantal klanten, niet meer toereikend. Indien de winkelvloeroppervlakte van de supermarkt niet zou worden uitgebreid, komt de continuïteit van de supermarkt in gevaar en daarmee het voorzieningenniveau in Vledder. Dit zal op termijn tot een duurzame ontwrichting leiden, aldus Coop.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van een mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaarbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. De raad heeft zich naar het oordeel van de voorzitter in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het behouden van de supermarkt in de kern Vledder gelet hierop van groot belang is. In hetgeen [verzoeker sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de stelling van de raad, in navolging van Coop, dat juist zonder een uitbreiding van de winkelvloeroppervlakte op termijn de continuïteit van de supermarkt in gevaar komt en daarmee een teruggang van het voorzieningenniveau in de kern Vledder zich zal voordoen, onjuist is. Hierbij betrekt de voorzitter dat de raad ter zitting heeft gesteld dat de uitbreiding van de winkelvloeroppervlakte noodzakelijk is om de problemen als gevolg van de te krappe assortimentsinvulling in de supermarkt op te lossen. Coop heeft in dit verband ter zitting onweersproken gesteld dat als gevolg van de te krappe assortimentsinvulling het vullen van vakken tijdens openingstijden lastig is, schappen regelmatig leeg zijn, er lange wachtrijen voor de kassa staan tot ver in de winkel en klanten door de wachtrijen worden belemmerd bij het winkelen.

2.3.4. Voor zover [verzoeker sub 2] en anderen stellen dat een mogelijk faillissement van lokale ondernemers van Vledder zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in deze kern, overweegt de voorzitter als volgt. Ter zitting heeft Coop er op gewezen dat uit het in haar opdracht uitgevoerde vestigingsplaatsonderzoek blijkt dat haar marktgebied nagenoeg niet zal toenemen, maar dat de koopkrachtbinding wel zal stijgen. Hoewel gelet hierop naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk is dat de bestaande bestedingen in de winkels van [verzoeker sub 2] en anderen zullen afvloeien naar de supermarkt, is dit niet uitgesloten. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat het voorzieningenniveau in de kern Vledder mogelijk duurzaam wordt ontwricht. Uit hetgeen is overwogen onder 2.3.3. volgt immers dat voor de vraag of hiervan sprake zal zijn, van belang is of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Een mogelijke beëindiging van de bedrijfsvoering door een lokale ondernemer zal volgens [verzoeker sub 2] en anderen het gevolg zijn van het feit dat de supermarkt hetzelfde assortiment gaat voeren als de lokale ondernemer. De beëindiging van de bedrijfsvoering heeft derhalve, vanwege de aanwezigheid van de supermarkt, niet tot gevolg dat de inwoners van de gemeente op een grotere afstand van hun woonplaats dergelijke inkopen moeten doen.

2.3.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de uitbreiding van de supermarkt geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de Kern Vledder zal ontstaan. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen distributieplanologisch onderzoek behoefde te worden gedaan.

2.4. Met betrekking tot het standpunt van [verzoeker sub 2] en anderen dat de raad bij afweging van de belangen een groter gewicht had moeten toekennen aan hun belang bij het behouden van hun huidige concurrentiepositie, overweegt de voorzitter dat, wat er hiervan ook zij, dit geen belang is dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de beoordeling kan worden betrokken.

2.5. Wat betreft het standpunt van [verzoeker sub 2] en anderen dat onderzoek had moeten worden gedaan naar de parkeermogelijkheden, nu het college van burgemeester en wethouders in zijn principebesluit heeft vastgesteld dat het benodigde aantal parkeerplaatsen niet op het eigen terrein van de supermarkt kan worden gerealiseerd, overweegt de voorzitter als volgt. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat volgens de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek voor de supermarkt 39 parkeerplaatsen nodig zijn en dat op het terrein van de supermarkt 56 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Gelet hierop ziet de voorzitter in het niet nader onderbouwde standpunt van [verzoeker sub 2] en anderen geen grond voor het oordeel dat de raad een onderzoek naar de parkeermogelijkheden had moeten doen.

2.6. Ook in hetgeen [verzoeker sub 2] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de raad in het bestemmingsplan niet in redelijkheid een uitbreiding van de supermarkt mogelijk heeft kunnen maken.

2.7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Vroegindeweij, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2010

559.