Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
201001921/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorbreking appèlverbod / strijd met het beginsel van hoor en wederhoor / oordeel gebaseerd op informatie uit andere procedure

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de staatssecretaris ter gelegenheid van de behandeling van het beroep van een andere Nepalese vreemdeling in zaak nr. 09/47793 ter zitting op 12 januari 2010 heeft aangevoerd dat zicht op uitzetting naar Nepal bestaat. Daarbij is door de staatssecretaris verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2009 in zaak nr. 200901668/1/V3 (www.raadvanstate.nl). Voorts is in dit kader aangevoerd dat medio augustus een nieuwe Nepalese consul is aangetreden en dat de diplomatieke betrekkingen zijn geïntensiveerd. De Nepalese consul heeft daarbij aangegeven geen bezwaar te hebben tegen gedwongen uitzettingen van vreemdelingen, indien de identiteit en nationaliteit zijn bevestigd. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het haar bekend is dat in de bewaringsprocedure van een andere Nepalese vreemdeling, na een laissez passeronderzoek door de Nepalese autoriteiten, voor de betreffende vreemdeling een vlucht is geboekt naar Nepal.

In het licht van deze informatie, is de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat vooralsnog voldoende zicht op uitzetting naar Nepal bestaat.

De rechtbank heeft, door aldus te overwegen, haar oordeel over het zicht op uitzetting overwegend gebaseerd op informatie die door de staatssecretaris in andere procedures is verstrekt en die in het beroep bij de rechtbank in deze procedure niet aan de orde is geweest. De rechtbank mocht deze informatie niet aan haar uitspraak ten grondslag leggen zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de uitspraak is gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Op grond daarvan ziet de Afdeling aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen, hoewel de Vw 2000 daartoe geen grondslag biedt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 84
Vreemdelingenwet 2000 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/186
RV20100079 met annotatie van Cornelisse G.N. Galina
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001921/1/V3.

Datum uitspraak: 23 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, (hierna: de rechtbank) van 16 februari 2010 in zaak nr. 10/4520 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2009 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5 van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. Het door de vreemdeling ingestelde beroep is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59. De uitspraak van de rechtbank van 16 februari 2010 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open bij de Afdeling.

2.3. De vreemdeling betoogt dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen, omdat de rechtbank haar oordeel over het zicht op uitzetting naar Nepal heeft gebaseerd op informatie die de staatssecretaris op 12 januari 2010 tijdens de behandeling ter zitting van het beroep van een andere Nepalese vreemdeling heeft verschaft, zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zich over deze informatie uit te laten. Derhalve heeft de rechtbank uitspraak gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

2.3.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat de staatssecretaris ter gelegenheid van de behandeling van het beroep van een andere Nepalese vreemdeling in zaak nr. 09/47793 ter zitting op 12 januari 2010 heeft aangevoerd dat zicht op uitzetting naar Nepal bestaat. Daarbij is door de staatssecretaris verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2009 in zaak nr. 200901668/1/V3 (www.raadvanstate.nl). Voorts is in dit kader aangevoerd dat medio augustus een nieuwe Nepalese consul is aangetreden en dat de diplomatieke betrekkingen zijn geïntensiveerd. De Nepalese consul heeft daarbij aangegeven geen bezwaar te hebben tegen gedwongen uitzettingen van vreemdelingen, indien de identiteit en nationaliteit zijn bevestigd. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het haar bekend is dat in de bewaringsprocedure van een andere Nepalese vreemdeling, na een laissez passeronderzoek door de Nepalese autoriteiten, voor de betreffende vreemdeling een vlucht is geboekt naar Nepal.

In het licht van deze informatie, is de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat vooralsnog voldoende zicht op uitzetting naar Nepal bestaat.

2.3.3. De rechtbank heeft, door aldus te overwegen, haar oordeel over het zicht op uitzetting overwegend gebaseerd op informatie die door de staatssecretaris in andere procedures is verstrekt en die in het beroep bij de rechtbank in deze procedure niet aan de orde is geweest. De rechtbank mocht deze informatie niet aan haar uitspraak ten grondslag leggen zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

Onder deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de uitspraak is gedaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest. Op grond daarvan ziet de Afdeling aanleiding van het hoger beroep kennis te nemen, hoewel de Vw 2000 daartoe geen grondslag biedt.

2.4. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.5. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 16 februari 2010 in zaak nr. 10/4520;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010

243-562.

Verzonden: 23 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser