Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9647

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200906688/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om haar een parkeervergunning te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906688/1/H3.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juli 2009 in zaak

nr. 08/3325 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om haar een parkeervergunning te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2009, verzonden op 28 juli 2009, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.C.M. Pleumeekers, werkzaam bij de gemeente Breda, is verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. [appellante] heeft een nader stuk ingediend, dat aan het college is toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Parkeerverordening Breda 2007 (hierna: de Verordening) kan het college gebieden aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders op zowel belanghebbendenplaatsen als parkeerapparatuurplaatsen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, komt een huishouden in aanmerking voor maximaal één basisvergunning, geldig binnen een conform artikel 3 aangewezen vergunninggebied, indien de aanvrager uit dat huishouden staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (hierna: de Gba) van de gemeente als bewoner van dat huishouden binnen het betreffende vergunninggebied.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, kan het college, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 11, in bijzondere gevallen vergunning verlenen aan andere dan de in deze artikelen genoemde categorieën.

2.2. Bij brief van 26 augustus 2007 heeft [appellante] bij het college een aanvraag om een parkeervergunning ingediend om te kunnen parkeren op de parkeerruimte ter hoogte van het pand [locatie] te Breda, zijnde een conform artikel 3 van de Verordening aangewezen vergunninggebied. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat [appellante] niet staat ingeschreven in de Gba van de gemeente Breda en zich voorts geen bijzonder geval voordoet dat vergunningverlening rechtvaardigt.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zich in dit geval een uitzonderlijke situatie voordoet op grond waarvan het verlenen van een parkeervergunning op grond van artikel 22, tweede lid, van de Verordening is gerechtvaardigd. Deze uitzonderlijke situatie bestaat volgens [appellante] daaruit dat zij feitelijk inwoner is van Breda. Voorts levert de weigering aan haar een parkeervergunning te verlenen extra parkeerdruk op in de nabijgelegen straten, waar geen vergunningregime geldt, terwijl voor haar woning voldoende parkeerruimte aanwezig is, aldus [appellante].

2.4. Het betoog gaat er ten onrechte aan voorbij dat de in artikel 22, tweede lid, van de Verordening neergelegde afwijkingsbevoegdheid naar haar aard is bedoeld voor bijzondere niet in de Verordening voorziene gevallen. Aangezien inschrijving in de gemeente Breda een vereiste is waaraan [appellante] ingevolge de Verordening als aanvrager van een vergunning moet voldoen, is het niet ingeschreven staan doch feitelijk woonachtig zijn in de gemeente Breda op zichzelf geen bijzondere situatie.

In de Verordening is immers gekozen voor het uitgangspunt dat vergunningen zijn bedoeld voor personen die in de gemeente Breda als bewoner van het huishouden staan ingeschreven, zodat het niet voldoen aan dit vereiste moet worden beschouwd als een in de Verordening voorzien geval. [appellante], die niet heeft uiteengezet wat de reden is dat zij zich niet in de gemeente Breda inschrijft dan wel heeft ingeschreven, heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie als een bijzonder geval moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar situatie niet kan worden aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Verordening. Ook ten aanzien van de beschikbare parkeerruimte ter hoogte van het pand [locatie] en het ontstaan van extra parkeerdruk elders heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van het uitgangspunt dat parkeervergunningen slechts zijn bestemd voor personen die in de gemeente staan ingeschreven.

Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat het college in redelijkheid de parkeervergunning aan [appellante] heeft kunnen weigeren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

97-597.