Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200907071/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ4340, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch de aanvraag van [appellante] om een standplaatsvergunning voor de locatie Pensmarkt naast 'Etude Gothique' te 's-Hertogenbosch afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907071/1/H3.

Datum uitspraak: 31 maart 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 juli 2009 in zaak nr. 09/1174 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch de aanvraag van [appellante] om een standplaatsvergunning voor de locatie Pensmarkt naast 'Etude Gothique' te 's-Hertogenbosch afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het college het door [appellante], alsmede het door [directeur] en [gemachtigde] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. F.C.J.J. Jessen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 116, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 1996 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor eenieder toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden of over die goederen dan wel diensten informatie te verstrekken;

b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek of over die goederen dan wel diensten informatie te verstrekken.

Ingevolge het zevende lid, onder c, kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

2.2. Het college heeft in februari 2006 het herinrichtingsplan Markt en Pensmarkt (hierna: het herinrichtingsplan) vastgesteld. Het doel van het herinrichtingsplan is het verbeteren van de ruimtelijke/esthetische, functionele en duurzame kwaliteit van het plein. Een belangrijk aspect hierbij is dat verschillende plaatsen op het plein open gehouden moeten worden, zodat belangrijke zichtlijnen over het plein vrij worden gemaakt en vrij blijven. Volgens dit beleid is het niet gewenst kramen te plaatsen in belangrijke zichtlijnen over het plein, zoals op de Pensmarkt. Volgens het college heeft het gehandeld in overeenstemming met het beleid door de aanvraag van de standplaatsvergunning naast 'Etude Gothique', zijde Pensmarkt ten behoeve van [appellante] af te wijzen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het zichtlijnenbeleid van het college niet redelijk is. Zij betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de locatie naast 'Etude Gothique' niet voldoet aan het beleid. Het naderhand door het college ingenomen standpunt dat een standplaats nabij de Kerkstraat uit stedenbouwkundige overwegingen de beste keuze is, wordt volgens [appellante] niet nader gemotiveerd. Voorts voert [appellante] aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de door het college opgestelde brief van 19 juli 2006 kan worden geconcludeerd dat het een definitieve toezegging heeft gedaan met betrekking tot de locatie naast 'Etude Gothique'.

2.3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het door het college gevoerde beleid niet onredelijk is. Het beleid heeft als uitgangspunt dat ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit bepaalde zichtlijnen vrij blijven. Het is niet onredelijk dat het college aan het behoud van deze zichtlijnen een groot belang heeft gehecht. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college heeft gehandeld overeenkomstig de opgestelde beleidsregels. Uit de door het college overgelegde situatietekeningen blijkt dat de door [appellante] gevraagde standplaats het zicht op de Pensmarkt en het stadhuis belemmert. Op grond van het nieuwe inrichtingsplan, dat heeft geleid tot herziening van de locaties van de standplaatsen voor de Markt en de Pensmarkt, is aan [appellante] op een andere locatie een standplaats toegewezen, zodat de verkoopwagen geen belangrijke zichtlijnen onderbreekt.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de besluitvorming ten tijde van het voorstel van 19 juli 2006 zich nog in een voorbereidend stadium bevond. Het college heeft in de brief van 19 juli 2006 expliciet kenbaar gemaakt dat het voorstel voor nieuwe locaties van standplaatsen op de Markt en de Pensmarkt een conceptvoorstel betrof, dat nog nader moest worden uitgewerkt. De standplaatshouders konden naar aanleiding van het conceptvoorstel reacties indienen, waarna een definitieve standplaatsindeling zou worden vastgesteld. [appellante] mocht er daarom niet van uitgaan dat het conceptvoorstel zonder meer zou worden overgenomen in het definitieve besluit. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, is van een bindende toezegging van het college niet gebleken.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat het zichtlijnenbeleid van het college kennelijk alleen geldt voor de maandagen en de zondagen en niet van toepassing is op de overige dagen van de week en dat het beleid niet ten opzichte van andere standplaatshouders gehanteerd wordt, waardoor het volstrekt willekeurig wordt toegepast.

2.4.1. Dit betoog faalt eveneens. Omdat het tijdens de markt op de woensdag, zaterdag en vrijdag onmogelijk blijkt om de zichtlijnen vrij te houden en de openbare ruimte tijdens de markt optimaal moet worden benut, kon het college in redelijkheid een groter gewicht toekennen aan het belang van de markt dan aan het belang van de zichtlijnen en het beleid op die dagen buiten toepassing laten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] tijdens de warenmarkt op woensdag en zaterdag haar oude standplaats aan de [locatie] behoudt. Het uitgangspunt van het behoud van de zichtlijnen wordt volgens de door het college overgelegde situatietekeningen wel op de dinsdag- en donderdagmarkt gehandhaafd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze tekeningen op dit punt een onjuist beeld geven van de situatie.

Het betoog van [appellante], dat het beleid niet ten opzichte van andere standplaatshouders wordt gehanteerd, faalt evenzeer. Alle vijf permanente standplaatshouders voldoen na de herinrichting volgens de door het college overgelegde situatietekeningen aan het beleid omtrent de zichtlijnen. Ook in zoverre is niet gebleken dat deze tekeningen een onjuist beeld geven.

2.5. Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen onzorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het college heeft volgens [appellante] geen rekening gehouden met haar grote commerciële belang en het heeft dit belang niet bij zijn afweging beoordeeld.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. Zoals hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregels. Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging. Aldus moet het door [appellante] genoemde commerciële belang worden geacht bij de vaststelling van de beleidsregels te zijn betrokken. Ter tegemoetkoming aan het belang van [appellante] heeft het college haar een alternatieve locatie aangeboden. Deze locatie is evenals de oude locatie van [het bedrijf] gelegen op een centrale plek in de binnenstad. Daarnaast is het college bereid om - mocht hiertoe aanleiding zijn - nadeelcompensatie te verstrekken. De stelling van [appellante] dat het college geen rekening heeft gehouden met haar commerciële belangen kan daarom geen doel treffen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college niet dusdanig onzorgvuldig is geweest dat de gevolgen voor [appellante], in verhouding tot het met het besluit te dienen doel, onevenredig zwaar zijn.

2.6. Gelet op het voorstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college voldoende gemotiveerd heeft besloten de aanvraag voor een standplaatsvergunning voor de locatie naast 'Etude Gothique' af te wijzen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

176-637.