Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200906382/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2008 heeft appellante (hierna: het CBR) geweigerd om ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B te registeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906382/1/H3.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 juli 2009 in zaak nr. 08/1093 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2008 heeft appellante (hierna: het CBR) geweigerd om ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B te registeren.

Bij besluit van 15 augustus 2008 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2008 vernietigd en bepaald dat het CBR een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 september 2009.

Bij besluit van 21 september 2009 heeft het CBR het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. H.C. Schutrops en mr. A.C. de Die, beiden advocaat te Den Haag, en mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid wordt in afwijking van het eerste lid ten behoeve van degene wiens rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ongeldig is verklaard wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking aan de hem opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de geschiktheid, gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na de ongeldigverklaring van het rijbewijs geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister geregistreerd zo lang hij niet alsnog aan die verplichting heeft voldaan.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, voor zover thans van belang, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen, indien:

a. de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag hiertoe aanleiding geeft;

b. het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") vermeld dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. Bij een politiecontrole op 29 oktober 2004 is bij [wederpartij] als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte van 625 g/l geconstateerd. Op grond daarvan is hem bij besluit van 23 november 2004 de verplichting opgelegd mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: EMA). Omdat [wederpartij] de kosten hiervoor niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft voldaan, is zijn rijbewijs bij besluit van 14 maart 2005 ongeldig verklaard. De besluiten van 23 november 2004

en 14 maart 2005 zijn in rechte onaantastbaar geworden. [wederpartij] heeft vervolgens op 29 februari 2008 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een verklaring van geschiktheid. Het CBR heeft hierop een keuring, als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van het reglement, gevorderd, omdat het CBR beschikt over gegevens volgens welke [wederpartij] in het verleden onder invloed van alcoholhoudende drank is aangehouden, waardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste geschiktheid. De keuring heeft plaatsgevonden op 26 april 2008 en is verricht door T.H.F. Falke, arts, en E.J.M. Eterman-Peters, psychiater. Zij hebben in hun rapport de psychiatrische diagnose "misbruik van alcohol in ruime zin" gesteld.

Bij besluit van 31 mei 2008, zoals gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2008, heeft het CBR op grond van dit rapport geweigerd om ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid te registreren.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek naar de geschiktheid niet heeft voldaan aan de minimaal daaraan te stellen eisen. Zij heeft daarbij gewezen op de zeer korte duur van de observatie door de psychiater. Het CBR heeft weliswaar gesteld het niet aannemelijk te achten dat de psychiater slechts 1 à 2 minuten aanwezig is geweest, zoals door [wederpartij] gesteld, maar uit de door de psychiater overgelegde verklaring van 5 mei 2009 noch uit het rapport van 26 april 2008 blijkt naar het oordeel van de rechtbank het tegendeel. De rechtbank heeft verder overwogen dat het onderzoek door de arts zo goed als afgerond was toen de psychiater binnen kwam en dat het er bovendien voor moet worden gehouden dat de psychiater aan [wederpartij] geen aanvullende vragen heeft gesteld. In het rapport is volstaan met de opmerking dat betrokkene mede werd gezien door de psychiater. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het CBR het rapport van het onderzoek van 26 april 2008 niet zonder meer aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, nu daaruit niet kan blijken in welke mate de psychiater bij het psychiatrisch onderzoek betrokken is geweest. Ook uit de nadien overgelegde verklaring van de psychiater blijkt volgens de rechtbank niet dat die betrokkenheid van dien aard is geweest dat van een specialistisch rapport kan worden gesproken.

2.4. Het CBR betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de regeling geen eisen stelt aan de wijze waarop het onderzoek dient te worden uitgevoerd en evenmin aan de kwalificatie van de persoon die het onderzoek uitvoert. Het CBR verwijst naar een aantal uitspraken van medische tuchtcolleges, waaruit volgt dat zelfs indien de psychiater betrokkene niet zelf zou hebben gezien, sprake is van een specialistisch rapport. De psychiater heeft [wederpartij] gezien, is rechtstreeks betrokken geweest bij het onderzoek, en is verantwoordelijk voor de conclusies die op basis van de bevindingen zijn getrokken.

2.4.1. Paragraaf 8.8 van de bijlage bij de regeling stelt de eis dat, indien een betrokkene wordt onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van het reglement, de beoordeling of bij betrokkene sprake is van misbruik van psychoactieve middelen dient te geschieden op basis van een specialistisch rapport. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 31 december 2008 in zaak nr. 200802616/1) is van een dergelijk rapport geen sprake indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene niet zelf heeft gezien en aldus niet zelf direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest.

Dat eerdere uitspraken van regionale medisch tuchtcolleges waarin is geoordeeld dat ook wanneer de betrokken psychiater de betrokkene niet zelf heeft gezien sprake is van een specialistisch rapport als bedoeld in paragraaf 8.8 door het Centraal Medisch Tuchtcollege zijn bevestigd, maakt dit niet anders. In deze procedure gaat het om de weigering een verklaring van geschiktheid te registreren. In een geval waarin de diagnose misbruik van alcohol in ruime zin is gesteld, bestaat, zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1, aanleiding om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Aan het rapport komt derhalve een zeer belangrijke betekenis toe bij het nemen van een voor de betrokkene ingrijpend besluit. Om die reden is de totstandkoming van het rapport omgeven met aan het algemeen bestuursrecht en de toepasselijke bijzondere wettelijke voorschriften ontleende waarborgen, strekkende tot een zorgvuldig onderzoek en daadwerkelijke betrokkenheid daarbij van de specialist. Daartoe heeft de Afdeling voormelde eis gesteld. Zij ziet in de aangehaalde tuchtrechtspraak geen grond hierover thans anders te oordelen.

Het CBR betoogt echter terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vaststaat dat de psychiater [wederpartij] zelf heeft gezien en dat daarmee is gegeven dat de psychiater aldus direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest. Het is niet aan de rechter om verdere eisen te stellen aan het contact dat de psychiater heeft met betrokkene. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het rapport een specialistisch rapport is als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de regeling.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding de door [wederpartij] naar voren gebrachte beroepsgronden waar de rechtbank niet aan toe is gekomen, zelf te behandelen.

2.6. [wederpartij] heeft aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Volgens hem is uitgegaan van een aantal feitelijke onjuistheden en is de huisarts het blijkens zijn schrijven van 19 september 2008 niet met de conclusies van de psychiater eens. In het besluit op bezwaar is voorts te veel nadruk gelegd op de verhoogde bloeddruk, aldus [wederpartij].

2.6.1. Zoals hiervoor is overwogen bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de weigering om een verklaring van geschiktheid te registreren niet in stand te laten indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Die omstandigheden doen zich hier niet voor. De huisarts van [wederpartij] heeft gesteld dat de conclusie en het advies van de psychiater naar zijn mening zwaar zijn in verhouding tot de door [wederpartij] gegeven antwoorden en dat zijn conclusie niet overeenkomt met die van de psychiater, waarbij hij overigens aantekent dat hij grotendeels moet uitgaan van hetgeen [wederpartij] hem heeft verteld. Deze verklaring is niet gebaseerd op specialistisch onderzoek en kan reeds daarom niet afdoen aan de conclusie van het specialistisch rapport. Ten aanzien van de verhoogde bloeddruk heeft de psychiater en in navolging daarvan het CBR bevestigd dat hiervoor andere oorzaken zouden kunnen bestaan. Dit neemt niet weg dat het geheel van bevindingen de in het rapport vermelde conclusie kunnen dragen. Het betoog faalt.

2.7. Verder heeft [wederpartij] betoogd dat vanaf de datum van ongeldigverklaring van het rijbewijs, 14 maart 2005, nog geen drie jaar was verstreken toen hij zich begin 2008 wilde onderwerpen aan een EMA. Pas na de mededeling van het CBR dat hij niet kon beginnen met de EMA heeft hij op 29 februari 2008 de eigen verklaring ingediend. Aangezien tot 14 maart 2008 de gelegenheid bestond om toch deel te nemen aan een EMA, is deze mogelijkheid hem ten onrechte onthouden.

2.7.1. Ook dit betoog faalt. [wederpartij] heeft bijna drie jaar gewacht alvorens zich tot het CBR te wenden en heeft vervolgens zelf een eigen verklaring ingediend. Het CBR heeft terecht op deze aanvraag beslist.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Bij besluit van 21 september 2009 heeft het CBR het bezwaar van [wederpartij] wederom ongegrond verklaard. Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt dat besluit geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding in hoger beroep. Uit het voorgaande volgt dat aan dit besluit, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Dat besluit dient derhalve te worden vernietigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 juli 2009 in zaak nr. 08/1093;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 21 september 2009 gegrond;

V. vernietigt dit besluit.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

419.