Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200906115/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [appellante] ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voor het bezit van tien in de bijlage bij dat besluit beschreven Griekse landschildpadden (Testudo hermanni; hierna: schildpadden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906115/1/H3.

Datum uitspraak: 31 maart 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 juli 2009 in zaak nr. 07/870 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [appellante] ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voor het bezit van tien in de bijlage bij dat besluit beschreven Griekse landschildpadden (Testudo hermanni; hierna: schildpadden).

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij besluit van 10 september 2007 heeft de minister [appellante] ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Ffw voor het bezit van zes in de bijlage bij dat besluit beschreven schildpadden.

Het door [appellante] daartegen ingediende beroep is door de rechtbank aan de minister doorgezonden ter behandeling als bezwaar.

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2009, verzonden op 13 juli 2009, heeft de rechtbank Assen het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2010, waar [appellante], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en P.G. van den Berg, beiden werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft de minister [appellante] ontheffing verleend voor het bezit van tien schildpadden. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft de minister het bezwaar van [appellante] tegen dat besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij besluit van 10 september 2007 heeft de minister [appellante] ontheffing verleend voor het bezit van zes schildpadden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200707848/1) kan het bestuursorgaan, als het na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, niet volstaan met gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld, tenzij met enkele herroeping van het primaire besluit kan worden volstaan.

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft de minister het bezwaar slechts gegrond verklaard. Pas op 10 september 2007 is een nieuw besluit voor het primaire besluit in de plaats gesteld en is daarmee volledig op het bezwaar beslist. Het besluit van 10 september 2007 dient dan ook als besluit op bezwaar te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dat niet onderkend en heeft het op 5 oktober 2007 ingediende beroepschrift ten onrechte aan de minister doorgestuurd met het verzoek dit aan te merken als bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 10 september 2007.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 alsnog behandelen.

2.3. Ingevolge artikel 74 van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: Vo 865/2006) wordt Verordening (EG) nr. 1808/2001 (hierna: Vo 1808/2001) ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage XII opgenomen concordantietabel. In de concordantietabel wordt bij artikel 24 van Vo 1808/2001 verwezen naar artikel 54 van Vo 865/2006.

Ingevolge artikel 54 van Vo 865/2006 wordt, voor zover thans van belang, een specimen van een diersoort uitsluitend beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat aan de volgende vereisten is voldaan:

1. het betreft een nakomeling of een afgeleid product van een nakomeling, die in een gecontroleerd milieu is geboren of anderszins op één van de volgende wijzen is geteeld:

a) als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, in het geval van geslachtelijke voortplanting;

b) uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden, in het geval van ongeslachtelijke voortplanting;

2. het fokdierenbestand is in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen op een zodanige wijze gevormd dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade heeft ondervonden;

3. het fokdierenbestand wordt zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimens in stand gehouden, afgezien van de occasionele aanvulling met dieren, eieren of gameten in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt, en zulks uitsluitend voor één of meer van de volgende doeleinden:

a) om schadelijke inteelt te voorkomen of te matigen, waarbij de omvang van de aanvulling door de behoefte aan nieuw genetisch materiaal wordt bepaald;

b) teneinde een bestemming te geven aan verbeurdverklaarde dieren, overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97;

c) in uitzonderlijke gevallen, om zich daarvan als fokdieren te bedienen;

4. het fokdierenbestand heeft zelf in een gecontroleerd milieu nakomelingen van de tweede of een latere generatie opgeleverd (F2, F3 enzovoort), dan wel wordt beheerd op een wijze waarvan is aangetoond dat daarbij de productie van nakomelingen van de tweede generatie in een gecontroleerd milieu is gewaarborgd.

Ingevolge artikel 1 wordt, voor zover thans van belang, verstaan onder:

2. "nakomelingen van de tweede generatie (F2)" en "nakomelingen van latere generaties (F3, F4, enzovoort)": specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders die zelf in een gecontroleerd milieu zijn geteeld, te onderscheiden van specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders waarvan er ten minste één in het wild werd verwekt of aan de vrije natuur werd onttrokken (specimens van nakomelingen van de eerste generatie (F1);

3. "fokdierenbestand": alle dieren die in het kader van een fokprogramma voor de reproductie worden gebruikt;

4. "gecontroleerd milieu": een door menselijke ingrepen bepaald milieu dat is geschapen om dieren van een bepaalde soort te fokken, dat op een zodanige wijze is afgesloten dat dieren, eieren of gameten van de betrokken soort dat milieu niet kunnen binnenkomen of verlaten.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Ffw geschiedt de aanwijzing van een plantensoort of van een diersoort als beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk als beschermde uitheemse diersoort bij ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, is het verboden dieren behorende tot een beschermde inheemse of uitheemse diersoort onder zich te hebben.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, voor zover thans van belang, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

Ingevolge het tweede lid kan de vrijstelling bij ministeriële regeling worden verleend indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de minister, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Ffw zijn, voor zover thans van belang, als beschermde uitheemse dier- en plantensoort als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, voor zover het soorten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de wet betreft, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten, aangewezen:

a. de soorten genoemd in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97, met inachtneming van de tot die bijlage behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan;

[…]

 

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, geldt een vrijstelling van het in artikel 13 van de Ffw bedoelde verbod op het onder zich hebben van levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte gewervelde dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de betreffende dieren gefokt zijn.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt verstaan onder:

e. uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 250);

[…]

i. in gevangenschap geboren en gefokte specimens van een diersoort: specimens van een diersoort die voldoen aan de criteria van artikel 24 van de uitvoeringsverordening.

2.4. De minister heeft aan de besluiten van 21 augustus en 10 september 2007, bezien in onderlinge samenhang, ten grondslag gelegd dat de zes jonge schildpadden van [appellante] niet aantoonbaar in gevangenschap zijn geboren en gefokt en aldus niet voldoen aan de vier vereisten van artikel 54 van Vo 865/2006. Volgens de minister worden als in gevangenschap geboren en gefokte dieren uitsluitend aangemerkt de dieren die als tweede generatie afkomstig zijn uit goedgekeurde fokoperaties. Aangezien de oorsprong van de vader wild of onbekend is, zijn de zes jonge schildpadden van de F1 generatie. Voor deze schildpadden is derhalve een bezitsontheffing vereist, aldus de minister.

2.5. [appellante] betoogt dat de minister heeft miskend dat de zes jonge landschildpadden onder de vrijstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Regeling vallen omdat ze voldoen aan de vier in artikel 54 van Vo 865/2006 vermelde vereisten en derhalve in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Dit betekent dat zij voor deze schildpadden geen bezitsontheffing nodig heeft en derhalve geen ontheffing met de daaraan verbonden kosten behoeft aan te vragen, aldus [appellante]. Zij voert aan dat de status van de moederschildpadden F1 is en de status van de vader wild, onbekend dan wel F1 is. Omdat een redelijk grote kans bestaat dat zowel de vader als de moeder F1 zijn, is volgens [appellante] aan artikel 54 van Vo 865/2006 voldaan.

2.5.1. Vast staat dat de schildpadden zijn vermeld in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 en daarom een beschermde uitheemse diersoort zijn als bedoeld in artikel 5 van de Ffw.

2.5.2. In artikel 1 van de Regeling wordt onder in gevangenschap geboren en gefokte specimens van een diersoort verstaan: specimens van een diersoort die voldoen aan de criteria van artikel 54 van Vo 865/2006. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan het derde en vierde vereiste van dat artikel.

Op grond van het derde vereiste dient het fokdierenbestand zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimens in stand te zijn gehouden, behoudens de niet aan de orde zijnde uitzonderingen genoemd onder a tot en met c. [appellante] heeft een mannelijke schildpad in haar bezit, waarvan zij heeft verklaard dat deze bijna zeker uit het wild afkomstig is. Daarnaast heeft zij in 2003 enige tijd een mannelijke schildpad van de schildpaddenopvang bij haar dieren laten lopen, waarvan de status onbekend is. Met de enkele verklaring van [appellante] dat dit mannetje waarschijnlijk de F1 status heeft gehad, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit mannetje daadwerkelijk die status zou hebben gehad. Zij heeft dan ook niet aangetoond dat het fokdierenbestand zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimen in stand wordt gehouden.

Op grond van het vierde vereiste dient het fokdierenbestand zelf in een gecontroleerd milieu nakomelingen van de tweede of een latere generatie (F2, F3 enzovoort) te hebben opgeleverd, dan wel op een wijze te worden beheerd waarvan is aangetoond dat daarbij de productie van nakomelingen van de tweede generatie in een gecontroleerd milieu is gewaarborgd. Ingevolge artikel 1 onder 2 van Vo 865/2006 wordt onder nakomelingen van de tweede of een latere generatie verstaan: specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders die zelf in een gecontroleerd milieu zijn geteeld, te onderscheiden van specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders waarvan er ten minste één in het wild werd verwekt of aan de vrije natuur werd onttrokken. Zowel het mannetje waarvan de afkomst wild of onbekend is als het mannetje van de schildpaddenopvang, waarvan de status onbekend is, zou de vader van de zes schildpadden kunnen zijn. Nakomelingen van beide vaders kunnen ingevolge het vierde vereiste geen F2 status verkrijgen. Aan het vierde vereiste is evenmin voldaan.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] voert voorts aan dat het alle grote fokkers wel is toegestaan enkele wilde schildpadden in hun fokgroep op te nemen. Volgens haar is de kans groot dat de status van de vader in deze fokgroepen wild of onbekend is. Toch overweegt de minister alle nakomelingen in deze fokgroepen de F2 status te geven, op grond van de redenering dat een grote kans bestaat dat de nakomelingen F2 of hoger zijn, aldus [appellante]. De minister handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel als de nakweek van de grote fokkers wel als F2 wordt erkend, terwijl haar nakweek niet als zodanig wordt aangemerkt, aldus [appellante]. Zij betoogt dat ook haar nakweek een aanmerkelijke kans heeft F2 of hoger te zijn. Immers de moeders hebben allemaal de F1 status en de status van de vaders is onbekend, wild of F1.

2.6.1. Dit betoog faalt eveneens. Nog daargelaten of het schildpadfokkers is toegestaan enkele wilde exemplaren tussen de gefokte schildpadden te houden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen enkele kans bestaat dat de nakweek van [appellante] F2 status heeft. Omdat de status van beide mannetjes wild of onbekend is en [appellante] derhalve geen mannetje met de F1 status heeft, kunnen hun nakomelingen nooit de F2 status verkrijgen.

De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de zes jonge schildpadden niet vallen onder de vrijstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de Regeling en dat derhalve een bezitsontheffing nodig is.

2.7. Gelet op het bovenstaande behoeft hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd geen bespreking meer.

2.8. Het inleidend beroep is ongegrond.

2.9. Nu ten tijde van het besluit van 12 juni 2008 al een besluit op bezwaar was genomen, bestond geen grond voor het nemen van het eerstgenoemde besluit. Gelet hierop is het daartegen ingestelde beroep gegrond en dient het besluit van 12 juni 2008 te worden vernietigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 juli 2009 in zaak nr. 07/870;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 10 september 2007 ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juni 2008, kenmerk 08.1.0274 gegrond;

V. vernietigt dit besluit van 12 juni 2008;

VI. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

307-637.