Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200905711/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray de aan [appellant] verleende bouwvergunningen eerste en tweede fase voor het plaatsen van een loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905711/1/H1.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Venray,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 juni 2009 in zaak nr. 09/224 in het geding tussen

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray de aan [appellant] verleende bouwvergunningen eerste en tweede fase voor het plaatsen van een loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ingetrokken.

Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door A.A.T. Stoffels, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. van der Velden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op een aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, kan het college de bouwvergunning geheel intrekken indien blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige aanvraag hebben verleend.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met vrije vestiging".

Ingevolge artikel 4, lid B en onder 1, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 5, lid A en onder I, mogen op het perceel uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 5, lid D en onder 3, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 4, lid B, ten minste verstaan het gebruik van de opstallen voor transport- en/of garagebedrijven.

2.2. Het college is er bij verlening van de bouwvergunningen van uitgegaan dat de loods gebruikt zou gaan worden als werktuigenberging ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Nadat de berging was opgericht, bleek dat hierin onder meer een vrachtwagen en zogenaamde containerunits stonden. Voorts bleek toen dat het bedrijf [appellant] ten tijde van de aanvragen om bouwvergunning reeds stond ingeschreven in het handelsregister. Onder deze omstandigheden heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het de bouwvergunningen heeft verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave omtrent het doel waarvoor de werktuigenberging werkelijk zou worden opgericht - niet voor gebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf, maar ten behoeve van een handels- en transportonderneming - en heeft het deze bouwvergunningen ingetrokken.

2.3. [appellant] betoogt primair dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was de bouwvergunningen in te trekken. Hij voert aan dat geen sprake was van onjuiste of onvolledige aanvragen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a, van de Woningwet, omdat uit de aanvragen reeds bleek dat de loods zou worden gebruikt als werktuigenberging ten behoeve van zijn handels- en transportonderneming. Zo er al sprake was van onjuiste of onvolledige aanvragen, had het volgens [appellant] bovendien op de weg van het college om nadere informatie te vragen over het voorgenomen gebruik van de loods.

2.3.1. Op de voor een aanvraag om bouwvergunning bestemde formulieren worden onder 5 vragen gesteld over het gebruik van het bouwwerk, met bijbehorende terreinen, na uitvoering van de werkzaamheden. Bij deze vragen heeft [appellant] vermeld dat de loods gebruikt zal gaan worden als "werktuigenberging". Tevens heeft hij in dit verband de gebruiksfunctie "Industrie B5" opgegeven. Daaraan is handgeschreven toegevoegd: "licht" en "agrarisch = licht". Voorts heeft [appellant] in de aanvragen vermeld dat de voor de bouwwerkzaamheden vereiste milieuvergunning reeds is verleend. Daarmee heeft [appellant] bij het college de indruk gewekt dat de aanvragen om bouwvergunning betrekking hadden op een loods die uitsluitend zou worden gebruikt als werktuigenberging ten behoeve van zijn agrarisch bedrijf, waarvoor een melding was gedaan overeenkomstig het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb lag het in beginsel op de weg van [appellant] om de gegevens te verschaffen die noodzakelijk waren om te kunnen beslissen op de aanvragen om bouwvergunning. Hij betoogt derhalve tevergeefs dat de bevindingen van de in het kader van de Wet milieubeheer op het bedrijf gehouden controles, alsmede de bouwtekeningen en de op de aanvraagformulieren vermelde grootte van de loods, voor het college aanleiding hadden moeten vormen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de ingediende aanvragen en dat niet valt in te zien waarom op de aanvraagformulieren geen ruimte was voorzien om het voorgenomen gebruik van de loods nader te specificeren.

Anders dan [appellant] betoogt, bestaat verder geen grond voor het oordeel dat zijn - door het college overigens betwiste - stelling dat hij bij het indienen van de aanvragen om bouwvergunningen niet werd bijgestaan door een deskundige, verandering brengt in het feit dat hij, als aanvrager, verantwoordelijk is voor de juistheid en volledigheid van de aanvragen.

Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat de loods is gebouwd ten behoeve van in ieder geval onder meer een handels- en transportbedrijf. Dit gebruik is in strijd met artikel 4, lid B en onder 1, van de planvoorschriften.

Blijkens het vorenstaande zijn de bouwvergunningen verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave. Wat [appellant] in dit verband nog aanvoert over het gebruik dat rechtstreeks zou voortvloeien uit de verleende bouwvergunningen, kan hieraan niet afdoen. Bij beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een onjuiste of onvolledige opgave als gevolg waarvan ten onrechte bouwvergunningen zijn verleend, zijn slechts de feiten en omstandigheden vóór de beslissing op de aanvragen van belang. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat het college bevoegd was de bouwvergunningen in te trekken.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt subsidiair dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid de bouwvergunningen in te trekken. Hij voert aan dat de loods in overeenstemming met het bestemmingsplan mede wordt gebruikt ten behoeve van zijn agrarisch bedrijf. Een alsnog in te dienen aanvraag om bouwvergunning voor een loods ten behoeve van dit bedrijf zou derhalve ingewilligd moeten worden. Het had daarom op de weg van het college gelegen om slechts handhavend op te treden tegen het gebruik van de loods ten behoeve van het transportbedrijf, aldus [appellant].

2.4.1. Het intrekken van de bouwvergunningen heeft geen ander gevolg dan dat de loods, achteraf bezien, zonder de vereiste bouwvergunning is gebouwd. Door de intrekking wordt slechts bewerkstelligd dat het college op de grondslag van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet de bevoegdheid heeft handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de loods. In dat verband zal dan moeten worden bezien of er concreet zicht op legalisatie van de loods bestaat op grond waarvan het college van handhavend optreden behoort af te zien. Het gebruik van het perceel en de zich daarop bevindende bebouwing is thans niet aan de orde. Ook of wellicht alleen daartegen handhavend moet worden opgetreden, is thans niet aan de orde en kan derhalve geen grond zijn voor het oordeel dat het college van intrekking van de bouwvergunningen had behoren af te zien.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

17-593.