Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200901550/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2009, nr. 2008-013185, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oost Gelre bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1998, herziening 33, [appellant] Recreatie".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901550/1/R2.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2009, nr. 2008-013185, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oost Gelre bij besluit van 8 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 1998, herziening 33, [appellant] Recreatie".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Voor afloop van het vooronderzoek heeft de raad het zogenoemde Onderzoek Haalbaarheid aan de Afdeling toegezonden. Daarbij heeft de raad medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van de pagina's 20 tot en met 22 van dit stuk. Op 13 mei 2009 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en de andere partijen gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze toestemming is niet verleend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gezamenlijk met zaak nr. 200904692/1/H1 ter zitting behandeld op 23 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad van de gemeente Oost Gelre, vertegenwoordigd door ing. H. Luesink en M.H.J. Reintjes, beiden werkzaam bij de gemeente, [5 belanghebbenden] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de verdere ontwikkeling van het recreatiebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats], door uitbreiding van dat bedrijf met een camping, een horecagelegenheid met zalen, een groepsaccommodatie voor ongeveer 130 personen, een golfbaan en een sportveld.

2.3. Voor zover de gronden van het beroep betrekking hebben op de door het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre genomen besluiten tot verlening van vrijstelling van het voorgaande bestemmingsplan, ziet het beroep niet op het bestreden besluit en faalt het daarom in zoverre.

2.4. [appellant] heeft aangevoerd dat er bij de verbouwing van de ligboxenstal tot groepsaccommodatie rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat in het dak van de te verbouwen stal asbest zit. Dit heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het beroep faalt in zoverre.

2.5. Voor zover [appellant] stelt dat verzuimd is om in de buurt onderzoek te doen naar draagvlak voor de plannen van het recreatiebedrijf, overweegt de Afdeling dat uit de wet noch uit enig algemeen rechtsbeginsel voortvloeit dat een dergelijk onderzoek moet worden verricht. Het beroep faalt in zoverre.

2.6. Voor zover [appellant] stelt dat omwonenden worden benadeeld door de omstandigheid dat de gemeente een planschadeovereenkomst heeft getroffen met [belanghebbende], die volgens hen niet solvabel is, overweegt de Afdeling dat de beoordeling van deze overeenkomst in dit geding niet aan de orde is. Het beroep faalt in zoverre.

2.7. [appellant] stelt dat voorbij wordt gegaan aan de eigendomssituatie van de percelen. Volgens hem is er met het overlijden van [persoon] in 1992 een onverdeelde boedel ontstaan waardoor er meerdere personen gerechtigd zijn ten aanzien van deze percelen. De omstandigheid dat de onverdeelde boedel tot op heden is blijven voortbestaan, toont volgens [appellant] niet aan dat al deze personen in staat en bereid zijn om de bestemming te realiseren.

2.7.1. Het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting namens de raad onder meer verwezen naar een verweerschrift van 29 juli 2008. Hierin is gesteld dat uit ingewonnen informatie is gebleken dat weliswaar sprake is van een onverdeelde boedel, maar dat deze geen belemmering vormt voor de realisatie van de bestemming, omdat alle erfgenamen achter de wijziging van de bestemming staan.

2.7.2. [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat de percelen waarop het plan ziet, deel uitmaken van een onverdeelde boedel, in dit geval een belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Uit de enkele omstandigheid dat de boedel nog immer onverdeeld is, kan niet worden afgeleid dat één of meerdere erfgenamen hun medewerking aan de wijziging van de bestemming niet willen verlenen. Het beroep faalt in zoverre.

2.8. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat uit de financiële gegevens van het recreatiebedrijf zal blijken dat de middelen ontbreken voor de noodzakelijke investeringen, overweegt de Afdeling dat de financiële situatie van [bedrijf]" en haar vennoten in dit geval niet van betekenis is voor het antwoord op de vraag of het plan binnen de planperiode uitvoerbaar is, nu de in het plan opgenomen bestemmingen ook door anderen kunnen worden gerealiseerd. Het beroep faalt in zoverre.

2.9. [appellant] stelt dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. In dit verband wijst hij onder meer op de beleidsnota "Functies zoeken plaatsen zoeken functies" van de Regio Achterhoek van 19 mei 2006 (hierna: de beleidsnota). Volgens hem blijkt niet dat de verandering van de ligboxenstal in groepsaccommodatie wordt verevend door sloop van bebouwing op het perceel of een vergelijkbare kwaliteitsbijdrage, zoals bedoeld in de beleidsnota. Ten aanzien van de horecagelegenheid stelt hij dat de beleidsnota niet kan worden toegepast, nu geen sprake is van hergebruik van agrarische bebouwing of vrijgekomen bebouwing als bedoeld in de beleidsnota.

2.9.1. Uit de toelichting op het plan blijkt dat de raad slechts ten aanzien van de verandering van de ligboxenstal in een groepsaccommodatie de beleidsnota als uitgangspunt heeft gehanteerd. Voor zover het beroep van [appellant] ziet op het vermeend ten onrechte hanteren van deze beleidsnota ten aanzien van de horecagelegenheid, faalt het derhalve.

De verevening van de functieverandering van de ligboxenstal zal blijkens de toelichting op het plan geschieden door een kwaliteitsbijdrage in de vorm van natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing van het gehele plangebied conform het stuk "Visie Lievelderpoort" van de stichting Staring Advies van januari 2005. Het beroep faalt ook in zoverre.

2.10. [appellant] stelt dat het toestaan van een zelfstandige horecagelegenheid en een groepsaccommodatie voor omwonenden zal leiden tot vermindering van privacy, toename van geluidhinder door onder meer verkeersbewegingen en hinder door lichtschijnsel van auto's.

2.10.1. De raad stelt dat de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van minimaal 50 meter, waarmee wordt voldaan aan de afstand die wordt aanbevolen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten van 16 april 2007 (hierna: de VNG-brochure). De raad stelt voorts dat uit diverse onderzoeken is gebleken dat geen onevenredige hinder en overlast is te verwachten voor aanliggende functies. De raad wijst tot slot nog op het feit dat het recreatiebedrijf zal moeten voldoen aan de normen die het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de algemene plaatselijke verordening stellen.

2.10.2. De in het plangebied te ondernemen activiteit valt ingevolge bijlage 1 van de VNG-brochure in milieucategorie 3.1. De in de brochure aanbevolen afstand tussen een categorie 3.1 bedrijf en woningen bedraagt in geval van het omgevingstype rustig buitengebied, waarvan hier sprake is, 50 meter. Als aanbevolen afstand als bedoeld in de brochure geldt de afstand tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven of andere milieubelastende functies toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

[appellant] heeft niet weersproken dat de afstand tussen de grens van de bestemming "Terrein voor verblijfsrecreatie" en de uiterste gevel van de dichtstbijzijnde woningen, waaronder zijn woning, meer dan 50 meter bedraagt, zodat moet worden aangenomen dat voldaan wordt aan de aanbevolen afstand van 50 meter uit de VNG-brochure. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat van ernstige geluidhinder op de woning van [appellant] sprake zal zijn. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van die woningen geen ernstige geluidhinder valt te verwachten als gevolg van de op grond van het plan toegestane horecagelegenheid en groepsaccommodatie.

Gelet op de ruime afstand van de woning van [appellant] tot het recreatiebedrijf valt een ernstige aantasting van de privacy of overmatige hinder van lichtschijnsel van auto's evenmin te verwachten.

Gezien het vorenstaande faalt het beroep in zoverre.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

234-288.