Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
201001402/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college [verzoeker] op straffe van een dwangsom gelast de bodem van de paardrijbak op de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk) te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik van deze percelen voor het trainen en africhten van paarden en als paardrijbak in zijn algemeenheid te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001402/2/H1.

Datum uitspraak: 26 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 februari 2010 in zaak nrs. 09/5647 en 09/3041 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college [verzoeker] op straffe van een dwangsom gelast de bodem van de paardrijbak op de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk) te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik van deze percelen voor het trainen en africhten van paarden en als paardrijbak in zijn algemeenheid te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 3 maart 2009 herroepen en [verzoeker] op straffe van een dwangsom gelast om de bodem en omheining van de paardrijbak op de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] en […] te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik van deze percelen voor het houden, trainen en africhten van paarden te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 2 februari 2010, verzonden op 2 februari 2010, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2010.

Bij eerstgenoemde brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 maart 2010, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door E.U.H. van de Schepop, en het college, vertegenwoordigd door S.C.P. Selten en J.M.A. van der Burgt-Willems, beiden werkzaam bij de gemeente, verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] woont aan de [locatie 1]te [plaats]. Dit perceel omvat de kadastrale percelen als genoemd in de aanschrijving. [verzoeker] gebruikt het perceel sinds 1986 voor het houden van paarden. Hij heeft in 1992 de paardrijbak aangelegd en in 2007 de bodem daarvan vervangen door een zogenoemde Swanenberg bodem. Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft het college bouwvergunning verleend voor het oprichten van een paardenstal achter de woning.

[belanghebbende] woont op het naastgelegen perceel [locatie 2]. De beide percelen worden gescheiden door een smalle weg. [belanghebbende] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de door hem gestelde overlast vanwege het gebruik van de paardenbak en de naastgelegen wei-uitloop.

2.3. Het geschil in hoger beroep heeft alleen nog betrekking op het gedeelte van het perceel waarvoor het bestemmingsplan "Westerbeek 1980" geldt. Ingevolge dat bestemmingsplan hebben deze gronden de bestemming "Woningbouw EV" en hieraan is geen bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, onder B, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden onbebouwde grond en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken in strijd met de bij de bestemming omschreven gebruiksdoeleinden.

2.4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een vergunningpichtig bouwwerk, zodat het college, nu hiervoor geen bouwvergunning is verleend, gelet op artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, bevoegd was tot handhavend optreden. In dat verband heeft de voorzieningenrechter verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2005, in zaak nr. 200500169/1, waarin het aanleggen van een paardenbak aan de orde was met dezelfde bodemsamenstelling. Wat betreft de omheining die zowel rond de paardenbak als de wei-uiloop is aangebracht, is de voorzieningenrechter tot hetzelfde oordeel gekomen, nu het hekwerk volgens hem niet als erfafscheiding kan worden aangemerkt en evenmin voldoet aan de overige eisen voor een vergunningvrij bouwwerk.

In hetgeen door [verzoeker] in zijn verzoek naar voren is gebracht ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor de verwachting dat de Afdeling in de bodemprocedure de voorzieningenrechter op dit punt niet zal volgen.

2.5. Wat betreft het gebruik van de gronden voor het houden, trainen en africhten van paarden, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de vraag of het gebruik in overeenstemming is met de woonbestemming afhangt van de specifieke omstandigheden van het geval. In het kader van de ruimtelijke uitstraling is onder meer de aard van de omgeving en de relatie van het perceel tot het buitengebied van belang. In dat verband komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het gebruik hetgeen onder een woonbestemming dient te worden begrepen overstijgt en hiermee in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college ook in zoverre bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

De voorzitter is er niet zonder meer van overtuigd dat dit oordeel van de voorzieningenrechter in de bodemprocedure stand zal houden. Het perceel is weliswaar in de bebouwde kom gelegen maar, gelet op het ter zitting overgelegde kaart- en fotomateriaal, is twijfel mogelijk of het houden, trainen en africhten van paarden ter plaatse in strijd met de woonbestemming moet worden geacht. Er is aan de Stevensstraat sprake van een zekere lintbebouwing met weidegronden achter en soms ook tussen de woningen, in de dichte nabijheid van het buitengebied. Verder wordt in aanmerking genomen dat het gaat om het gebruik van maximaal twee paarden, enkel door de dochter van [verzoeker]. Ter zitting is gebleken dat het trainen en africhten geen betrekking heeft op springen maar op dressuur. De intensiteit van dit gebruik beperkt zich tot het berijden van de paarden in de paardenbak gedurende een uur per dag. Wat betreft de wei-uiloop is het gebruik sinds de aanvang daarvan in 1986 niet gewijzigd. Daarnaast is niet zonder betekenis dat het college eerder bouwvergunning heeft verleend voor een paardenstal op het perceel. Daarmee is het gebruik van de paardenstal voor het houden van paarden door het college toegestaan. Hoewel deze vergunning geen betrekking heeft op het gehele perceel, is het echter wel een indicatie dat het college het houden van paarden destijds niet in strijd met de woonbestemming heeft geacht, terwijl dit gebruik nu in de last is opgenomen. In het besluit op bezwaar noch in hetgeen door het college ter zitting hierover naar voren is gebracht, kan hiervoor een bevredigende verklaring worden gevonden.

Daar staat tegenover dat het college tot handhaving is overgegaan naar aanleiding van de door [belanghebbende] gestelde overlast in de vorm van trillings-, stof- en stankhinder en ongedierte. Behoudens een in opdracht van het college door het bureau DGMR verricht trillingsonderzoek in de woning van [belanghebbende], heeft het college geen eigen onderzoek, waarin de klachten hadden kunnen worden geobjectiveerd, verricht. Uit het rapport van DGMR van 1 november 2008 blijkt dat geen sprake is van voelbare trillingen.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 21 juli 2009, kenmerk 09/927, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 3 maart 2009, kenmerk HH-SSe;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 931,21 (zegge: negenhonderdeenendertig euro en eenentwintig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010

357.