Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200908206/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast aan de voorwaarden van de op 2 november 2004 verleende bouwvergunning te voldoen door alsnog het oude woonhuis, [locatie], te slopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908206/1/H1.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2009

in zaak nr. 09/2704 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast aan de voorwaarden van de op 2 november 2004 verleende bouwvergunning te voldoen door alsnog het oude woonhuis, [locatie], te slopen.

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door [echtgenote], en mr. R. Moszkowicz, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door drs. H.P. van de Ven, F.G.J. van Tilburg en S. van Bommel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het beroepschrift van [appellant] ruim negen maanden na het einde van de beroepstermijn is ingediend.

2.2. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.

De gestelde omstandigheid dat [appellant] er op mocht vertrouwen dat hem de benodigde vergunning voor de berging binnen de verlengde begunstigingstermijn van zes maanden zou worden verleend, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die meebrengt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.

Wat [appellant] verder heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

2.3. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

202.