Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200904747/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) het door appellanten tegen het besluit van 31 maart 2004, waarbij het college aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning heeft verleend voor het gedeeltelijk veranderen en vergroten van een supermarkt, alsmede het oprichten van acht woningen en een parkeergarage c.a., op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), gemaakte bezwaar wederom gedeeltelijk gegrond verklaard, voor het overige ongegrond en, onder wijziging van de motivering ervan, de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904747/1/H1.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 mei 2009 in zaak

nr. 08/1438 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) het door appellanten tegen het besluit van 31 maart 2004, waarbij het college aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning heeft verleend voor het gedeeltelijk veranderen en vergroten van een supermarkt, alsmede het oprichten van acht woningen en een parkeergarage c.a., op het perceel, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), gemaakte bezwaar wederom gedeeltelijk gegrond verklaard, voor het overige ongegrond en, onder wijziging van de motivering ervan, de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand gelaten.

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college dat besluit ingetrokken en bepaald dat de bij het besluit van 31 maart 2004 verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand blijven.

Bij uitspraak van 15 mei 2009, verzonden op 19 mei 2009, heeft de rechtbank het door [appellanten] tegen het besluit van 2 april 2008 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 9 september 2008 ingestelde beroep ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.F.F. Hooning van Duyvenbode, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.J. Pongers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door E.F. van de Baan en mr. C.N.J. Kortmann, de laatste advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het veranderen en vergroten van een supermarkt, de bouw van acht woningen daarboven en een parkeergarage onder de supermarkt die plaats biedt aan 110 auto's. Het is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bosch en Duin e.o.", zoals dit luidt na de 1e herziening ervan (hierna: het bestemmingsplan). Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor de situering van de parkeergarage en vrijstelling krachtens artikel 15 van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 13, zesde lid, onder 1, sub b en c, van de bestemmingsplanvoorschriften, voor een platte afdekking van het hoofdgebouw en voor de overschrijding van de maximale voorgevelbreedte.

Dit bouwplan stond ook centraal in de uitspraken van de Afdeling van 14 december 2005 in de zaken nrs. 200502035/1 en 200502104/1 en 29 augustus 2007 in zaak nr. 200607107/1.

2.2. [appellanten] betogen tevergeefs dat de uitspraak van 15 mei 2009 ten onrechte niet mede op het door dertig andere omwonenden ingestelde beroep is gedaan. Dat in die uitspraak niet alle indieners van het gezamenlijke beroepschrift afzonderlijk zijn vermeld, is voor dat oordeel onvoldoende. De rechtbank heeft op dit beroepschrift uitspraak gedaan en aldus op elk daarbij ingesteld beroep.

2.3. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank, door het beroep tegen het besluit van 2 april 2008 niet-ontvankelijk te verklaren, heeft miskend dat dit besluit ter toetsing voorlag en niet het besluit van 9 september 2008, omdat het college geen nieuw besluit kon nemen, nu zich geen gewijzigde omstandigheid, als bedoeld in artikel 6:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), had voorgedaan.

2.3.1. Het besluit van 9 september 2008 is genomen krachtens artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 maart 2005 in zaak nr. 200404950/1), kan een besluit, als bedoeld in die bepaling, mede strekken tot gehele of gedeeltelijke vervanging van een ander besluit. Aangezien het college, tegelijk met het besluit van 9 september 2008, tot intrekking en vervanging van het besluit van 2 april 2008 heeft besloten, doet zich geen situatie, als bedoeld in artikel 6:18, derde lid, van de Awb, voor. [appellanten] zijn door het vervangen van het besluit van 2 april 2008 niet in hun belangen geschaad. De rechtbank heeft het besluit van 9 september 2008 dan ook terecht bij de beoordeling van het beroep betrokken en het beroep, ingesteld tegen het ingetrokken besluit van 2 april 2008, niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank de beroepsgrond dat het college belangrijke informatie niet of niet tijdig heeft verstrekt ten onrechte buiten het geschil heeft geacht.

2.4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de Afdeling de beroepsgrond dat op de zaak betrekking hebbende informatie niet of niet tijdig is verstrekt in de uitspraak van 29 augustus 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, zodat aan deze in het beroep tegen het besluit van 9 september 2008 wederom aangevoerde grond niet hoefde te worden toegekomen. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] klagen verder dat de rechtbank heeft miskend dat uit een oogpunt van luchtkwaliteit belemmeringen bestaan voor de realisering van het bouwplan, omdat de uitkomsten van het aan het besluit van 9 september 2008 ten grondslag liggende luchtkwaliteitsonderzoek niet juist zijn, nu het onderzoeksgebied en de verkeerstellingen niet representatief zijn en niet van een juiste toename van het aantal personenauto- en vrachtwagenbewegingen is uitgegaan. In dit verband hebben zij voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beroepsgronden dat van een onjuiste uitbreiding van de vloeroppervlakte van de supermarkt is uitgegaan in het luchtkwaliteitsonderzoek en het aantal te realiseren parkeerplaatsen bij de supermarkt groter is dan waarvan in dat onderzoek is uitgegaan, buiten het geschil dienen te blijven.

2.5.1. Op 15 november 2007 is de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) (Stb. 2007, 434) in werking getreden. Ten tijde van het besluit van 9 september 2008 gold die wet.

2.5.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet milieubeheer, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen, dan wel toepassen, in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na dat tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

2.5.3. Bij de beoordeling of de gevolgen van realisering van het bouwplan voor de luchtkwaliteit in de omgeving ervan aan het verlenen van vrijstelling in de weg staan, heeft het college die naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 opnieuw laten onderzoeken. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 5 november 2007 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek), heeft het aan het besluit van 9 september 2008 ten grondslag gelegd. Tevens heeft het zich gebaseerd op een nadere toelichting van [vergunninghouder] van 18 februari 2008, betreffende de bezettingsgraad van de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden.

2.5.4. De rechtbank heeft in de verwijzing van [appellanten] naar hetgeen zij hebben aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 29 augustus 2007 terecht geen aanleiding gevonden om tot het oordeel te komen dat het in het luchtkwaliteitonderzoek in aanmerking genomen onderzoeksgebied, welk onderzoek aan het besluit van

9 september 2008 ten grondslag ligt en waarin hetzelfde onderzoeksgebied in aanmerking is genomen als in de onderzoeken uit 2005, niet representatief is. Net als in de onderzoeken naar de luchtkwaliteit van 2005, is in het luchtkwaliteitsonderzoek gekozen voor een onderzoek naar de luchtkwaliteit op het punt dat als kritiekst is aangemerkt, te weten de rand van de Paduaweg, tussen de Dolderseweg en de Paduahof. Het verkeer van en naar de supermarkt moet over dit wegdeel rijden. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersintensiteit op dit wegdeel niet het hoogst is en daarom niet van dit onderzoeksgebied mocht worden uitgegaan.

2.5.5. Voor het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de resultaten van in november 2005 uitgevoerde verkeerstellingen op de Paduaweg tussen het Paduahof en de Dolderseweg, waarbij rekening is gehouden met een autonome groei van het verkeer van twee procent per jaar, als invoergegevens gebruikt. Volgens het college is uitgegaan van een autonome jaarlijkse groei van twee procent, hetgeen volgens hem gebruikelijk is. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellanten] met hetgeen zij in beroep hebben aangevoerd niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verkeerstellingen, zoals zij stellen, niet representatief zijn, omdat zich in de periode dat deze hebben plaatsgevonden een wegopbreking heeft voorgedaan. Niet is gebleken dat ten tijde van de telling geen gebruik kon worden gemaakt van de weg of daarvan minder gebruik dan gewoonlijk is gemaakt.

2.5.6. Voor de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit bij uitbreidingen van wijkwinkels hanteert het college op basis van ervaringen de regel dat de groei van het aantal bezoekers overeenkomt met ongeveer een derde van de uitbreiding van de verkoopvloeroppervlakte. De verkoopvloeroppervlakte breidt met 45 procent uit van 1450 m² naar 2100 m². Derhalve zal het aantal bezoekers volgens hem ten gevolge van het bouwplan met vijftien procent groeien. Hetgeen [appellanten] in beroep hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gegeven voor het oordeel dat het college deze op ervaringen gebaseerde regel niet mocht toepassen. Weliswaar heeft de rechtbank het argument van [appellanten] dat is uitgegaan van een onjuiste uitbreiding van de vloeroppervlakte ten onrechte buiten beschouwing gelaten, maar dit leidt niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het college van een onjuiste uitbreiding van de vloeroppervlakte is uitgegaan.

De rechtbank heeft het argument van [appellanten] dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen groter is dan in diverse stukken is gesteld, waardoor het aantal verkeersbewegingen hoger zal zijn, dan waarvan bij het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan, ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Dit leidt echter evenmin tot het met de klacht beoogde doel, nu [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat in het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van een onjuiste toename van het aantal bezoekers. Nu deze toename leidend is, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van een onjuiste toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. De enkele eventuele uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen is daarvoor onvoldoende.

Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw van woningen in de nabijheid van de supermarkt van invloed zijn op de luchtkwaliteit ter plaatse van het bouwplan.

De rechtbank heeft voorts in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het luchtkwaliteitsonderzoek ondeugdelijk is, omdat niet is uitgegaan van een representatief aantal vrachtwagenbewegingen na realisering van het bouwplan. Volgens de nadere toelichting van [vergunninghouder] van 18 februari 2008 zijn de vrachtwagens die de supermarkt thans bevoorraden, niet volledig bezet. Bij een toename van de omzet van 15 tot 25 procent is, bij een volledige benutting van de vrachtwagens die de supermarkt reeds bevoorraden, één extra rit per week nodig. In het licht van deze, op zichzelf niet gemotiveerd weersproken toelichting, heeft het college zijn oordeel dat in het luchtkwaliteitsonderzoek van een representatief aantal vrachtwagenbewegingen is uitgegaan voldoende gemotiveerd.

2.5.7. Uit het luchtkwaliteitonderzoek volgt dat de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) opgenomen grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) bij een toename van het aantal personenautobewegingen met vijftien procent en één extra vrachtwagenrit per week in de onderzochte jaren 2007, 2010 en 2015 niet worden overschreden. Uit het in dit onderzoek opgenomen zogenoemde worst case scenario valt voorts af te leiden dat deze grenswaarden evenmin worden overschreden, indien het aantal personenautobewegingen evenredig toeneemt met de toename van de winkelvloeroppervlakte. Zelfs indien wordt uitgegaan van het in het nadere stuk van [vergunninghouder] van 10 februari 2010 vermelde aantal bezoekers per week in de situatie voor en na de uitbreiding van de supermarkt, bestaat, gezien de ruime marge tussen de grenswaarden van het Blk 2005 en de berekende concentraties NO2 en PM10, zoals blijkt uit het worst case scenario, geen aanleiding voor het oordeel dat de grenswaarden van het Blk 2005 worden overschreden.

Nu in de Wet milieubeheer dezelfde grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) als in het Blk 2005 worden gesteld, kan het bouwplan evenmin in strijd met de thans van toepassing zijnde luchtkwaliteitseisen in die wet worden geacht.

2.5.8. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, [appellanten] terecht niet gevolgd in het betoog dat het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken of leemten vertoont, dat het college zich daarop bij het nemen van het besluit van 9 september 2008 niet mocht baseren. Zij is voorts terecht tot de conclusie gekomen dat de Wet milieubeheer niet aan de verlening van vrijstelling in de weg stond.

Het betoog faalt.

2.6. De beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

374-552.