Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200902027/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BH3278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren aan [appellant] € 44.188,14 aan schadevergoeding toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Woningwet
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2010/152 met annotatie van J.A.M.A. Sluysmans
JOM 2010/620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902027/1/H2.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 februari 2009 in zaak nr. 07/2927 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren aan [appellant] € 44.188,14 aan schadevergoeding toegekend.

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat de einddatum van de periode waarover de schade wordt vergoed, 29 april 2004 in plaats van 21 april 2004 dient te zijn, hetgeen leidt tot een verhoging van de vergoeding met € 629,36, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2002.

Bij uitspraak van 5 februari 2009, verzonden op 9 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door M.J.E. Driessen, werkzaam bij Driessen Advies&Beheer, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft het college geweigerd [appellant] bouwvergunning te verlenen voor een woning ter vervanging van een bestaande woonboerderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Het college heeft daartoe aangevoerd dat het bouwplan in strijd met het geldende bestemmingsplan zou zijn.

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2003 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2004 in zaak nr. 200304556/1 heeft de Afdeling het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 januari 2002 vernietigd en daartoe overwogen dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan.

2.2. Bij besluit van 15 september 2006 heeft het college opnieuw geweigerd [appellant] bouwvergunning te verlenen en daaraan ten grondslag gelegd dat het bouwplan van 16 augustus 2002 in strijd is met redelijke eisen van welstand.

[appellant] heeft daartegen beroep ingesteld en vervolgens dit beroep op 14 november 2006 ingetrokken. Het besluit van 15 september 2006, waarbij de weigering bouwvergunning te verlenen is gehandhaafd, is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

2.3. Op 22 maart 2004, na de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2004, heeft [appellant] een bouwaanvraag ingediend, die vrijwel gelijk is aan de aanvraag van 16 augustus 2002. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 21 april 2004 afgewezen, omdat het bouwplan niet voldeed aan redelijke eisen van welstand. Vervolgens heeft [appellant] op 21 december 2004 een gewijzigde bouwaanvraag ingediend. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het college daarop bouwvergunning verleend.

2.4. [appellant] stelt als gevolg van het besluit van 21 oktober 2002 schade te hebben geleden, doordat hij daardoor pas later de woonboerderij heeft kunnen vervangen door nieuwbouw en zich tevens genoodzaakt zag langer de woning aan de [locatie 2] aan te houden. De schade bestaat uit kosten voor rechtsbijstand in bezwaar en beroep, stijging van de kosten voor het slopen van de woonboerderij, alsmede financierings-, woon- en beheerkosten voor die woning, stijging van de bouwkosten voor de nieuwe, vervangende woning, daling van de verkoopwaarde van de woning [locatie 2] en tot slot wettelijke rente over de verschillende schadeposten, aldus [appellant].

2.5. Het college heeft, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften van 3 juli 2007, [appellant] € 44.188,14 aan schadevergoeding toegekend en daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] als gevolg van het besluit van 21 oktober 2002 schade heeft geleden. Indien reeds bij dat besluit de bouwvergunning zou zijn geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand, dan had dat [appellant] er op dat moment waarschijnlijk toe gebracht een gewijzigde bouwaanvraag in te dienen, had hij eerder over een bouwvergunning beschikt en een deel van de gestelde kosten niet hoeven maken, aldus het college.

2.6. De rechtbank heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van de Afdeling van 15 december 2004 in zaak no. 200305353/1 en 1 september 2004 in zaak no. 200403427/1 overwogen dat voor vergoeding van schade als gevolg van het besluit van 21 oktober 2002 geen grondslag bestaat, omdat ten tijde van dat besluit ook een rechtmatig besluit zou hebben kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad en de gestelde schade derhalve niet het gevolg is van het besluit van 21 oktober 2002. Het college hoefde derhalve geen hogere vergoeding toe te kennen dan het bij besluit van 17 juli 2007 heeft gedaan, aldus de rechtbank.

2.7. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij schade heeft geleden door het besluit van 21 oktober 2002, omdat dit besluit vertraging in de verwezenlijking van zijn bouwplannen heeft veroorzaakt. Dit besluit heeft hem niet in staat gesteld een gewijzigde bouwaanvraag in te dienen die wel aan redelijke eisen van welstand voldeed en verschilt in zoverre van het besluit van 15 september 2006.

2.8. Dit betoog is terecht voorgedragen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat indien het college ten tijde van het besluit van 21 oktober 2002 meteen zou hebben geweigerd bouwvergunning te verlenen wegens strijd met redelijke eisen van welstand dit niet eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Na aanpassing van het bouwplan zou [appellant] eerder voor vergunningverlening in aanmerking zijn gekomen dan na de weigering wegens strijd met het bestemmingsplan. In dit geval staat vast dat [appellant] na de indiening van de bouwaanvragen, die in strijd werden geacht met welstandseisen, daadwerkelijk is overgegaan tot indiening van een bouwplan dat wel aan die eisen voldeed. Het is derhalve aannemelijk dat hij eerder zou hebben beschikt over een bouwvergunning en schade heeft geleden als gevolg van de vertraging in de realisering van zijn bouwplannen, die verband houdt met het feit dat het college bij zijn besluiten van 21 oktober 2002 en 23 januari 2003 wegens strijd met het bestemmingsplan heeft geweigerd en niet wegens strijd met de redelijke eisen van welstand.

2.8.1. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 juli 2007, waarbij het college schadevergoeding vermeerderd met wettelijke rente heeft toegekend, evenwel terecht ongegrond heeft verklaard, zoals hierna zal blijken, ziet de Afdeling geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, is er, anders dan [appellant] betoogt, evenmin grond voor vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat zij ten onrechte heeft afgezien van het benoemen van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

2.9. Volgens het college heeft [appellant] in de periode van 22 november 2002 tot 29 april 2004 vertragingsschade geleden. De eerste bouwaanvraag dateert van 16 augustus 2002. Op grond van het toen geldende artikel 46, eerste lid en onder b, van de Woningwet bedroeg de beslistermijn voor het college dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Op 22 november 2002 had [appellant] derhalve behoren te weten waaraan hij toe was. Op 23 maart 2004 heeft [appellant] een tweede, vrijwel identieke aanvraag ingediend, die is geweigerd bij besluit van 29 april 2004 wegens strijd met redelijke eisen van welstand. [appellant] wist toen pas waaraan hij toe was. Dit is een vertraging van bijna anderhalf jaar (516 dagen), van 22 november 2002 tot 29 april 2004. Het college heeft over die periode de schade berekend en aldus rekening gehouden met de omstandigheid dat een deel van de vertragingsschade aan [appellant] zelf kon worden toegerekend doordat hij bouwaanvragen heeft ingediend die aanvankelijk niet voldeden aan welstandseisen.

Voor zover [appellant] betoogt dat de schadeperiode op een eerder moment aanvangt, omdat de welstandscommissie had moeten adviseren over een eerder door hem ingediend schetsplan, slaagt dit niet. De beslistermijn is alleen van toepassing op een aanvraag bouwvergunning en ziet niet op een schetsplan. Daarbij komt dat de weigering om een schetsplan aan de welstandscommisie voor te leggen een feitelijke handeling is en de daardoor beweerdelijk geleden schade niet het gevolg is van het besluit van 21 oktober 2002.

2.10. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor vergoeding van de kosten verband houdend met het door hem gemaakte bezwaar, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het primaire besluit van 21 oktober 2002 is niet herroepen, de rechtsgevolgen zijn in stand gebleven bij besluit van 15 september 2006. De regeling heeft een exclusief karakter en staat er derhalve aan in de weg om deze kosten nadien via de weg van een zuiver schadebesluit vergoed te krijgen, zodat het college het verzoek in zoverre terecht heeft afgewezen.

2.11. Ook heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat vergoeding van de kosten gemaakt tijdens de procedures in beroep en hoger beroep slechts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan plaatsvinden. Voor vergoeding van deze kosten langs de weg van een zuiver schadebesluit is geen plaats. Bij uitspraak van 25 februari 2004 heeft de Afdeling het college veroordeeld in de door [appellant] gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte in de beroepsprocedure niet het volledige bedrag aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking komt, treft dit geen doel. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een zuiver schadebesluit geen plaats, zodat het college het verzoek in zoverre terecht heeft afgewezen.

2.12. Het college heeft, uitgaande van een schadeperiode van 516 dagen, terecht geen aanleiding gezien een hoger bedrag dan € 17.979,09 aan netto financieringskosten voor de woonboerderij te vergoeden. Daarbij is er rekening mee gehouden dat [appellant] ten onrechte niet zijn financieringslasten voor de woonboerderij ten laste van zijn fiscaal belastbaar inkomen heeft gebracht. Dat [appellant] hiertoe door de fiscus is gedwongen heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Voor de vergoeding van een bereidstellingsprovisie van € 750,00 per jaar bestond volgens het college geen aanleiding, reeds omdat [appellant] deze provisie niet zou hebben betaald. [appellant] heeft verder niet aangegeven op grond waarvan het college gehouden zou zijn tot vergoeding van een hoger bedrag.

2.13. Voor zover [appellant] betoogt dat het college de aan hem uit coulance toegekende vergoeding van € 6.455,16 voor de kosten van gratis anti-kraakbewoning heeft berekend over de verkeerde periode, slaagt dit niet op grond van hetgeen onder 2.9. is overwogen.

2.14. Het college heeft € 11.964,45 vergoed voor de stijging van de bouwkosten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gehanteerde percentage van 3,63% voor de stijging van de bouwkosten onjuist is. Dit percentage komt bovendien overeen met de percentages in het door [appellant] bij brief van 12 maart 2004 overgelegde advies.

Voor vergoeding van de kostenstijging die is veroorzaakt door de inwerkingtreding van een nieuw Bouwbesluit 2003 op 1 januari 2003 heeft het college evenmin grond aanwezig hoeven achten, nu deze kosten niet het gevolg zijn van de vertraging in de procedure, maar het gevolg van eigen handelen; eerst na twee negatieve welstandsadviezen heeft [appellant] een aanvraag ingediend die tot bouwvergunning heeft geleid. Ook als het college reeds bij besluit van 21 oktober 2002 de bouwaanvraag wegens redelijke eisen van welstand had afgewezen, was een nieuwe bouwaanvraag onder het nieuwe Bouwbesluit gevallen.

2.15. [appellant] betoogt ten onrechte dat de vergoeding voor de stijging van de sloopkosten gecorrigeerd moet worden op grond van het aantal schadedagen. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.9. heeft het college geen onjuiste schadeperiode gehanteerd.

2.16. Het college heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien tot vergoeding van de door [appellant] gestelde daling van de verkoopwaarde van de woning aan de [locatie 2]. Voor zover [appellant] stelt dat de waarde van de woning is gedaald doordat deze te lang te koop heeft gestaan, is van belang dat dit niet het gevolg is van het besluit van 21 oktober 2002, waarbij het college de bouwaanvraag niet meteen heeft afgewezen op welstandseisen. De waardedaling zou zich toch voor hebben gedaan nu eind 2003 de woningmarkt al ruimschoots over zijn top was en hij toen pas, ook zonder vertraging in de procedure, zou hebben beschikt over een bouwvergunning. Voorts heeft [appellant] er zelf voor gekozen de woning medio 2001 te koop te zetten, nog voor het moment dat hij de eerste bouwaanvraag heeft ingediend op 16 augustus 2002. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij de woning kon verkopen in de periode dat de bouwvergunning op de verkeerde grond was geweigerd.

2.17. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals [appellant] heeft verzocht. De uitspraak van de rechtbank dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.18. In verband met hetgeen onder 2.8. is overwogen acht de Afdeling termen aanwezig het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 682,00 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

299.