Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200906025/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkgeitenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 11 juli 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/395
JM 2010/60 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906025/1/M2.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkgeitenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 11 juli 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [appellant], in persoon, en bijgestaan door mr. S. Oord en P. Dielissen en het college, vertegenwoordigd door A.C.H.M. Lauwers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door A.J.C. van de Heijning als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] voert aan dat een deel van de inrichting geen eigendom is van de vergunningaanvrager en dat deze grond dan ook geen deel van de inrichting kan uitmaken.

Het college stelt dat het graslandpercelen betreft die geen deel uitmaken van de inrichting. Het bestreden besluit heeft op deze percelen dan ook geen betrekking.

De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de door [appellant] genoemde percelen. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] voert aan dat er geen bouwvergunning voor de mestopslag kan worden verleend, omdat een verharding van losse stelconplaten niet aan de bouwvoorwaarden voor een vloeistofdichte opslagplaat voor meststoffen voldoet. Tevens stelt hij dat de milieuvergunning pas in werking kan treden nadat de bouwvergunning voor alle te realiseren constructies is verleend.

2.3.1. Het college stelt dat voor de aangevraagde verhardingen geen bouwvergunning vereist is. Voor de opvangput van percolaat is op 16 september 2009 een bouwvergunning verleend.

2.3.2. Het ontbreken van een eventueel noodzakelijke bouwvergunning staat er niet aan in de weg dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend. Deze beroepsgrond faalt reeds hierom.

2.4. [appellant] voert aan dat de inrichting in het reconstructiegebied De Baronie ligt, waar een verandering ten behoeve van een bouwkavel voor intensieve veeteelt niet is toegestaan. De aangevraagde realisering van vier kuilvoederplaten, de verharde opslagplaats voor grasbalen en de vaste mestopslagplaat liggen volgens hem buiten het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak. [appellant] voert verder aan dat de aangevraagde 2300 m2 verharding negatieve hydrologische effecten zal hebben in het beschermde gebied waar een stand-still beginsel geldt. Bovendien zullen waardevolle landschappelijke waarden worden aangetast.

2.4.1. Het college stelt dat het gebied in het bestemmingsplan Buitengebied als agrarisch is aangewezen. Er zijn geen waardevolle landschappelijke waarden en voor negatieve hydrologische effecten hoeft niet gevreesd te worden. Het college stelt verder dat er geen sprake is van een intensieve veehouderij omdat de melkgeitenhouderij een grondgebonden veehouderij is. Voor de aangevraagde verhardingen is geen bouwvergunning vereist. Volgens het college is er dan ook geen sprake van strijd met het bestemmingsplan.

2.4.2. Voor zover [appellant] betoogt dat vergunningverlening zich niet verdraagt met de doelstellingen van het reconstructieproces als bedoeld in de Reconstructiewet, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 maart 2006, in zaak no. 200506744/1, dat de vraag of de oprichting of de uitbreiding van een veehouderij past binnen de doelstellingen van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het daarop gebaseerde reconstructieplan, niet de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer betreft.

De Afdeling stelt vast dat uit het geen [appellant] heeft aangevoerd, noch anderszins gebleken is dat de aangevraagde situatie in strijd is met het bestemmingsplan of andere ter plaatse geldende ruimtelijke plannen. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] voert aan dat de afstand van de aangevraagde bebouwing tot een voor verzuring gevoelig gebied als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij geen 260, maar 220 meter bedraagt. De mestopslag zal een hoeveelheid ammoniak uitstoten die ontoelaatbaar is voor het nabij gelegen verzuringgevoelige gebied.

2.5.1. Het college stelt dat het natuurontwikkelingsgebied Boven Mark waar Van de Boom op wijst niet onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig gebied is aangewezen. Het voor verzuring gevoelige gebied de Strijbeekse heide ligt op een afstand van 510 meter en dus ruim buiten de beschermingszone van 250 meter. Deze gebieden behoeven derhalve niet bij de beoordeling te worden meegenomen.

2.5.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de omgeving van de melkgeitenhouderij geen zeer kwetsbare gebieden in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij zijn gelegen die bij de beoordeling van het bestreden besluit betrokken hadden moeten worden. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] voert aan dat de inrichting op een afstand van circa drie kilometer van het Vogel- en Habitatrichtlijn gebied hVogel- en Habitatrichtlijn gebieden liggenOp deze gebieden mogen ontwikkelingen in Strijbeek volgens hem geen negatieve invloed hebben.

2.6.1. Het college stelt dat er ten opzichte van de vigerende vergunning geen verandering in de veebezetting plaats heeft. Hierdoor vallen er geen negatieve invloeden te verwachten op Nederlandse of Belgische Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden.

2.6.2. Met de Natuurbeschermingswet 1998 (Hierna Nbw 1998) is beoogd de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Habitat- en Vogelrichtlijn te implementeren. Het door [appellant] bedoelde gebied betreft een gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied/beschermd natuurmonument als bedoeld in de Nbw 1998. De bezwaren van [appellant] dienen aan de orde te komen bij de vraag of een vergunning ingevolge de Nbw 1998 is vereist en zo ja, of die vergunning kan worden verleend en onder welke voorwaarden. Er bestaat daarom geen ruimte voor beoordeling van deze bezwaren in het kader van het beroep tegen de verleende milieuvergunning. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant] voert aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ten aanzien van het plaatsen van ventilatoren niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.8. [appellant] voert aan dat de in het bestreden besluit opgenomen opslag van geitenmest gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Hij wijst in dit kader met name op het risico van verspreiding van de Q-koorts.

2.8.1. Het college stelt dat de eisen ten aanzien van de opslag van de geitenmest, waaronder het adequaat afdekken van de mest tijdens opslag en vervoer, gezondheidsrisico's in voldoende mate worden voorkomen.

2.8.2. Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening krachtens de Wet milieubeheer van een vergunning ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanig gevaar voor de verspreiding van de Q-koorts voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

315.