Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200905851/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zwolle bij besluit van 27 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Tanerij" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905851/1/R2.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zwolle bij besluit van 27 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Tanerij" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 7 augustus 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg en H. Snel, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan maakt, voor zover hier van belang, de bouw mogelijk van het gebouw "Twaalf Apostelen", dat is voorzien op de hoek van de Spinhuisbredehoek en de Menno van Coehoornsingel.

2.3. [appellanten] betogen dat het college wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening goedkeuring had moeten onthouden aan het bestemmingsplan voor zover het betreft het plandeel dat ziet op het gebouw "Twaalf Apostelen".

Daartoe voeren zij aan dat de toegestane hoogte van het gebouw detoneert met de aanwezige woningen aan de Spinhuisbredehoek: deze woningen hebben één laag met een kap terwijl het gebouw "Twaalf Apostelen" uit vier lagen met een kap zal bestaan. Het gebouw zal volgens hen zelfs hoger zijn dan het aangrenzende Flevogebouw.

Voorts zal volgens [appellanten] als gevolg van de hoogte en breedte van het gebouw "Twaalf Apostelen" minder licht invallen in de woningen aan de Spinhuisbredehoek en zal er vanuit die woningen ook minder uitzicht zijn dan voorheen. Verder stellen zij dat de ligging van het gebouw het ruimtegevoel voor omwonenden zal beperken.

[appellanten] stellen verder dat bij het gebouw "Twaalf Apostelen" niet kan worden voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. Het gebrek aan parkeerplaatsen is volgens hen niet geregeld, hetgeen volgens hen in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

Tot slot betogen [appellanten] dat de raad onvoldoende zorgvuldig het door hen aangedragen alternatief voor dit plandeel heeft beschouwd en dit alternatief met onvoldoende motivering ter zijde heeft geschoven.

2.3.1. Het college stelt dat de maximaal toegestane goothoogte van 13 m en de maximaal toegestane bouwhoogte van 17 m voor een liftopbouw niet onaanvaardbaar zijn, gelet op de toegestane hoogten voor bebouwing in de directe omgeving.

Ten aanzien van de gestelde vermindering van lichtinval en uitzicht bij de woningen aan de Spinhuisbredehoek stelt het college dat deze niet zodanig is dat er sprake is van een onevenredige en onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

Het college stelt dat bij de realisering van het bouwplan negen parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd. Voor zover daarmee niet aan de parkeernorm in de gemeentelijke bouwverordening wordt voldaan, stelt het college dat daarvan ontheffing kan worden verleend onder de voorwaarde dat een compenserende bijdrage aan de gemeente wordt betaald.

2.3.2. Het plan staat ter plaatse van het door [appellanten] bestreden plandeel voor het grootste deel van het bouwvlak een maximale goothoogte van 13 m toe en voor een zeer klein deel van dat bouwvlak, bedoeld voor een liftopbouw, een maximale bouwhoogte van 17 m. Voorts is in artikel 3, onder d, aanhef en onderdeel 4, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bepaald dat de grond met de bestemming "Centrumvoorzieningen met het accent op detailhandelsdoeleinden" mag worden bebouwd, met dien verstande dat de gebouwen afgedekt dienen te worden met een kap met een hoek van minimaal 15 en maximaal 65 graden met het horizontale scheidsvlak. Op ongeveer 10 m ten noorden van het bouwvlak voor het gebouw "Twaalf Apostelen" bevindt zich het Flevogebouw waarvoor een maximale goothoogte geldt van 12 m. Voor de bebouwing die zich direct ten zuiden van dit plandeel bevindt geldt, evenals voor de woning van [appellanten], een maximale goothoogte van 10 m. Ofschoon de woningen aan de Spinhuisbredehoek, waaronder die van [appellanten], feitelijk een goothoogte hebben van 3 m, blijkt zowel uit de stukken als het verhandelde ter zitting dat deze relatief lage goothoogte niet representatief is voor de directe omgeving van het bestreden plandeel. Onder die omstandigheden heeft het college de toegestane goothoogte en bouwhoogte naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid passend kunnen achten.

2.3.3. Uit de toelichting op het plan blijkt dat de raad onderzoek heeft gedaan naar de vermindering van lichtinval bij die woningen aan de Spinhuisbredehoek waar een dergelijke vermindering te verwachten is als gevolg van het gebouw "Twaalf Apostelen". Uit het verrichte onderzoek is gebleken dat op de drie onderzochte woningen aan de Spinhuisbredehoek slechts in de vroege ochtend sprake zal zijn van enige schaduwwerking als gevolg van het gebouw. Ter plaatse van de woning van [appellanten] zal geen schaduwwerking optreden. Uit verricht onderzoek blijkt voorts dat bij woningen die dichterbij het bouwvlak zijn gelegen dan de woning van [appellanten], voldaan kan worden aan de eisen die in het Bouwbesluit 2003 zijn gesteld over daglichttoetreding.

Ten aanzien van de vermindering van uitzicht en de beperking van het ruimtegevoel overweegt de Afdeling dat het bestreden plandeel is gelegen in de binnenstad en dat het niet ongebruikelijk is dat een onbebouwde ruimte in de binnenstad alsnog bebouwd wordt.

2.3.4. Uit de stukken blijkt dat op het terrein bij het gebouw "Twaalf Apostelen" negen parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd, terwijl in dit geval zeventien parkeerplaatsen vereist zijn om te voldoen aan de parkeernorm die in de gemeentelijke bouwverordening is opgenomen. Van deze norm kan blijkens de stukken evenwel ontheffing worden verleend, onder de voorwaarde dat het niet voldoen aan de norm financieel wordt gecompenseerd door het storten van een bedrag in het bereikbaarheidsfonds van de gemeente. Nu voorts ter zitting is gebleken dat op loopafstand van het gebouw "Twaalf Apostelen" parkeergelegenheid voorhanden is, bestaat geen reden te oordelen dat het college vanwege mogelijke parkeerhinder zijn goedkeuring aan het bestreden plandeel had moeten onthouden.

2.3.5. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.4. [appellanten] stellen wat het gebouw "Twaalf Apostelen" betreft vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van het plan na het uitbreken van de kredietcrisis. Volgens hen zijn de dure appartementen nauwelijks te verkopen.

2.4.1. De raad heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting gesteld dat de economische uitvoerbaarheid van het plan herhaaldelijk is getoetst, laatstelijk in het eerste kwartaal van 2009, waarbij de marktsituatie van dat moment is betrokken. Hieruit is volgens de raad gebleken dat het plan nog steeds economisch uitvoerbaar is.

2.4.2. [appellanten] bestrijden de economische uitvoerbaarheid van het plandeel dat ziet op het gebouw "Twaalf Apostelen" met slechts een verwijzing naar de kredietcrisis en de mogelijk daaruit voortvloeiende moeilijkheid om dure appartementen te verkopen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben zij hiermee, mede in aanmerking genomen dat het gaat om een planperiode van 10 jaar, niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies die de raad op grond van onderzoek heeft getrokken over de economische haalbaarheid van het plan, onjuist zijn. Er is niet gebleken dat gerede twijfel bestaat over de uitvoerbaarheid van het plan.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het desbetreffende plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen   w.g. Lap 

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat   

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

288.