Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
201000319/1/H1 en 201000319/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college een projectbesluit genomen en een bouwvergunning verleend aan de gemeente Landerd ten behoeve van de uitbreiding van het dorpshuis 'De Phoenix' op het perceel Pastoor van Winkelstraat 11 te Schaijk.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2010, 60
Module Bouwregelgeving 2010/910
JOM 2010/659
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000319/1/H1 en 201000319/2/H1.

Datum uitspraak: 25 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 december 2009 in zaak nrs. 09/4363 en 09/4364 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college een projectbesluit genomen en een bouwvergunning verleend aan de gemeente Landerd ten behoeve van de uitbreiding van het dorpshuis 'De Phoenix' op het perceel Pastoor van Winkelstraat 11 te Schaijk.

Bij uitspraak van 3 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2010, heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 maart 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.C.J.M. Zwijsen en mr. B.J. Hamelink-Jansen , beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de gemeente, vertegenwoordigd door ing. J.P.T.M. van Gorp, werkzaam bij de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De voorziene uitbreiding van het dorpshuis is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Schaijk 2004", omdat het maximaal toegestane bebouwingspercentage wordt overschreden en parkeerplaatsen zijn voorzien op gronden met de bestemming "Groenvoorziening". Om niettemin realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) genomen.

2.3. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het vierde lid, kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat ten behoeve van de uitbreiding van het dorpshuis in onvoldoende parkeergelegenheid is voorzien, zodat het college het projectbesluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Zij voert hiertoe aan dat er in de omgeving van het dorpshuis reeds een tekort aan parkeerplaatsen bestaat en dat het college daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden bij de berekening van de parkeerbehoefte ten gevolge van de uitbreiding. Voorts stelt [appellante] dat de parkeerplaatsen die ten behoeve van de uitbreiding van het dorpshuis zullen worden gerealiseerd niet of niet goed bruikbaar zijn. [appellante] vreest dat door een gebrek aan voldoende parkeerruimte bij het dorpshuis de bezoekers daarvan de parkeerplaatsen die zijn gelegen voor haar bedrijf zullen gebruiken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1 en 14 november 2007 in zaak nr. 200701560/1), dient bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het project. Een reeds bestaand tekort mag derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Anders dan [appellante] heeft betoogd, geldt dit uitgangspunt niet alleen bij de verlening van een bouwvergunning, in het kader van de toetsing aan artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, maar evenzeer indien uitsluitend na het nemen van een projectbesluit bouwvergunning kan worden verleend, gelet op de daarbij te verrichten belangenafweging.

Bij de berekening van de parkeerbehoefte ten gevolge van de uitbreiding van het dorpshuis heeft het college de algemeen aanvaarde kencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) als richtsnoer gebruikt. Dit heeft geleid tot een parkeerbehoefte van vier parkeerplaatsen ten gevolge van de uitbreiding van het dorpshuis. Ten gevolge van het bouwplan verdwijnen vijf parkeerplaatsen aan de voorzijde van het dorpshuis, zodat in totaal negen parkeerplaatsen benodigd zijn. Anders dan [appellante] in dit verband heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden dat aan de voorzijde van het dorpshuis meer dan vijf parkeerplaatsen zullen vervallen.

Het college heeft toegelicht in de benodigde parkeergelegenheid als gevolg van het bouwplan te voorzien door aan de achterzijde van het dorpshuis negen nieuwe parkeerplaatsen aan te leggen. Weliswaar vindt de ontsluiting van deze plekken plaats via een smalle inrit met een lengte van ongeveer 85 meter langs het dorpshuis, maar het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dientengevolge de bereikbaarheid daarvan niet zodanig is dat deze parkeerplaatsen niet gebruikt zullen gaan worden. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat door middel van bebording automobilisten er op attent worden gemaakt dat de inrit naar de achtergelegen parkeerplaatsen slechts door één auto tegelijkertijd gebruikt kan worden. Het college heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat in de directe omgeving van het dorpshuis een plein met parkeerplaatsen is gelegen. De voorzieningenrechter is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de uitbreiding van het dorpshuis is voorzien, zodat het college in zoverre in redelijkheid het projectbesluit heeft kunnen nemen.

Het betoog faalt.

2.5. Het betoog van [appellante], dat het college het ontwerpbesluit niet heeft kunnen nemen, omdat er een centrumvisie in ontwikkeling is die uiteindelijk in een nieuw bestemmingsplan zal worden vertaald, leidt niet tot het daarmee beoogde resultaat. De Wro biedt het college in artikel 3.10, eerste lid, een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare, bevoegdheid tot het mogelijk maken van bouwplannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het staat het college vrij om daarvan, na een afweging van de betrokken belangen, zoals het college heeft gedaan, gebruik te maken in plaats van aan de raad van de gemeente voor te stellen het bouwplan mee te nemen bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Daarmee wordt aangesloten bij de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro, waarvoor wordt verwezen naar Kamerstukken II 2004/2005, 28 916, nr. 12, p. 47-48.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010

357-552.