Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200909916/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten aan de raad van de gemeente Vlagtwedde een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat, voor zover hier van belang, artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat door de raad bij besluit van 22 september 2009 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/90 met annotatie van T.D. Rijs
TBR 2010/110 met annotatie van D. Korsse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909916/2/R1.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, gevestigd te Deventer, en de [maatschap], [appellanten sub 1] (hierna: de [maatschap] en anderen), gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats], gemeente Vlagtwedde,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats], gemeente Vlagtwedde,

3. [appellanten sub 3], wonend te [plaats], gemeente Vlagtwedde,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten aan de raad van de gemeente Vlagtwedde een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat, voor zover hier van belang, artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat door de raad bij besluit van 22 september 2009 is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de [maatschap] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, en [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, beroep ingesteld. Zij hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 18 januari 2010.

Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hebben LTO Noord en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] de voorzitter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 maart 2010, waar LTO Noord en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], allen vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door P.A. de Plaa en ing. F.W. Antoni, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door G. Metselaar en K. Gringhuis, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In het plan is de bestemming "Agrarisch 1" met de aanduiding "bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" toegekend aan het perceel van de [maatschap] aan de [locatie A], het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie B] en het perceel van [appellanten sub 3] aan de [locatie C] te [plaats].

Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels bij de bestemming "Agrarisch 1" geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering per bouwperceel niet meer mag bedragen dan de oppervlakte voor stalruimte in combinatie met het bestaande aantal dieren, zoals opgenomen in bijlage 8.

In artikel 3.4, aanhef en onder b, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden ontheffing kan verlenen van het bepaalde in artikel 3.2.1, aanhef en onder d, en toestaan dat ten behoeve van een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren de oppervlakte aan stalruimte wordt vergroot, al dan niet in combinatie met een uitbreiding van het aantal dieren.

2.3. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan het college van gedeputeerde staten, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover het college van gedeputeerde staten een zienswijze over het ontwerp naar voren heeft gebracht, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ingevolge de derde volzin vermeldt het college van gedeputeerde staten in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

2.4. De aanwijzing strekt ertoe dat artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels geen deel blijft uitmaken van het plan. Hieraan heeft het college van gedeputeerde staten ten grondslag gelegd dat in de nog in werking te treden provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan niet voorziet in de uitbreiding van de oppervlakte van de bestaande stalvloer ten behoeve van intensieve veehouderij, anders dan voor zover dit rechtstreeks voortvloeit uit aangescherpte normen op het gebied van milieu en dierenwelzijn. Van dit verbod kan onder voorwaarden ontheffing worden verleend. De toepassing van de ontheffingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders in artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels is echter ten onrechte niet afhankelijk gesteld van een ontheffing van de Omgevingsverordening van het college van gedeputeerde staten.

Volgens het college van gedeputeerde staten is het niet mogelijk om het in geding zijnde provinciaal landschappelijk belang anders te beschermen dan door middel van het geven van de aanwijzing. Daarbij heeft het naar voren gebracht dat blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing kan worden ingezet in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt voorbereid.

2.5. De [maatschap] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] wensen hun bestaande niet-grondgebonden veehouderijen uit te breiden, hetgeen op basis van het plan niet binnen het toegekende bouwperceel kan worden gerealiseerd zonder een ontheffing als bedoeld in artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels. De aanwijzing staat echter in de weg aan het verlenen van bedoelde ontheffing.

Verzoekers betogen dat de aanwijzing in strijd is met de Wro.

Zij voeren aan dat het college van gedeputeerde staten vóór de vaststelling van het plan algemene regels had kunnen stellen in de zin van artikel 4.1 van de Wro. Nu de Omgevingsverordening ten tijde van het geven van de aanwijzing nog niet in werking was getreden, lag het volgens hen in de rede een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, van de Wro te nemen in plaats van de aanwijzing te geven. Hierbij betogen zij dat de Wro niet voorziet in de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van een provinciale verordening.

Voorts voeren zij aan dat het college van gedeputeerde staten een zogenoemde pro-actieve aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 van de Wro had kunnen geven of een inpassingsplan in de zin van artikel 3.26 van de Wro had kunnen vaststellen. Het gestelde provinciaal belang had derhalve met inzet van andere bevoegdheden kunnen worden beschermd, aldus de [maatschap] en anderen, [appellant sub 2] en [appellanten sub 3]. Subsidiair bestrijden zij dat het plan het provinciaal belang raakt.

Verder stellen zij dat het aan de aanwijzing ten grondslag gelegde provinciaal beleid niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ten slotte betogen verzoekers dat ten onrechte niet is bepaald binnen welke termijn en met welke regels een nieuw plan moet worden vastgesteld.

2.6. In hoofdzaak is aan de aanwijzing ten grondslag gelegd dat de toepassing van de ontheffingsbevoegdheid in de zin van artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels niet afhankelijk is gesteld van een ontheffing van de Omgevingsverordening van het college van gedeputeerde staten, zodat niet is gewaarborgd dat toekomstige uitbreidingen aan hem ter beoordeling zullen worden voorgelegd. De aanwijzing is derhalve niet gebaseerd op concrete bezwaren tegen voorgestane uitbreidingen van de in het plan opgenomen niet-grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder de veehouderijen van de [maatschap], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3]. Gelet hierop heeft de voorzitter ter zitting het college van gedeputeerde staten verzocht de situaties van de [maatschap], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] alsnog te bezien en hem te berichten of en in hoeverre het college van gedeputeerde staten bezwaren heeft tegen de gewenste uitbreidingen waaraan de aanwijzing thans in de weg staat.

2.7. Bij brief van 11 maart 2010 heeft het college van gedeputeerde staten aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgestane uitbreidingsplannen van de [maatschap] op hun perceel aan de [locatie A] en van [appellanten sub 3] op hun perceel aan de [locatie C], die met toepassing van de ontheffingsbevoegdheid in artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels mogelijk kunnen worden gemaakt. Nu niet is gebleken van belangen die zich daartegen verzetten, ziet de voorzitter hierin aanleiding de voorlopige voorziening te treffen dat artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels moet worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied" zoals dat op 22 september 2009 is vastgesteld en moet worden geacht in werking te zijn getreden ten aanzien van de plandelen met de bestemming "Agrarisch 1" en de aanduiding "bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" wat betreft de percelen [locatie A] en [locatie C] te [plaats].

2.8. Ten aanzien van de uitbreiding van de veehouderij van [appellant sub 2] op het perceel [locatie B] te [plaats] heeft het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt gesteld dat de voorgestane positionering van twee nieuwe stallen, waarmee het langgerekte karakter van het bebouwingscluster verder wordt verlengd, vanuit landschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar is, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder ontheffing van de Omgevingsverordening kan worden verleend. In reactie hierop heeft [appellant sub 2] naar voren gebracht dat, hoewel het bezwaar van het college van gedeputeerde staten uitsluitend betrekking heeft op de positionering van de stallen, de aanwijzing geen betrekking heeft op het toegekende bouwperceel, dat deze positionering mogelijk maakt. Zij wijst erop dat de door het college van gedeputeerde staten gewenste vorm van het bouwperceel niet in het plan is neergelegd en bovendien deels ziet op het aangrenzende perceel, waaraan geen bouwperceel is toegekend en dat niet in eigendom is bij [appellant sub 2]

Hoewel de voorzitter twijfel heeft of het standpunt van het college van gedeputeerde staten passend kan worden geacht, gelet op de door het college voorgestane positionering van de stallen in relatie tot het toegekende bouwperceel en op de strekking van het instrument van de zogenoemde reactieve aanwijzing, ziet de voorzitter op dit punt toch af van het treffen van een voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening dat artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels ook wat betreft het plandeel voor het perceel [locatie B] moet worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied" zoals dat is vastgesteld, zou naar het oordeel van de voorzitter te verstrekkend zijn. Gelet op de concrete uitbreidingsplannen en de daarmee verband houdende bouwaanvraag zouden ten gevolge van een dergelijke voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan, terwijl de voorzitter niet op voorhand uitsluit dat het standpunt van het college van gedeputeerde staten in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven.

2.9. Het college van gedeputeerde staten dient ten aanzien van de [maatschap] en anderen en [appellanten sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat artikel 3.4, aanhef en onder b, van de planregels moet worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat op 22 september 2009 is vastgesteld, ten aanzien van de plandelen met de bestemming "Agrarisch 1" en de aanduiding "bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" wat betreft de percelen [locatie A] en [locatie C] te [plaats];

II. wijst het verzoek van [appellant sub 2] af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, de [maatschap], [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, de [maatschap], [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

516.