Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200907785/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning en het plaatsen van een schutting op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907785/1/H1.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 augustus 2009 in zaak nr. 08/459 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning en het plaatsen van een schutting op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 april 2008 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college, opnieuw beslissend op het tegen het besluit van 5 september 2007 gemaakte bezwaar, dat bezwaar ongegrond verklaard, en de bij dat besluit verleende vrijstelling en bouwvergunning onder verlening van ontheffing krachtens artikel 2.5.18, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Terneuzen gehandhaafd.

Tegen dat besluit heeft [appellant] bij brief van 3 december 2009 beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroep is door de rechtbank ter behandeling doorgestuurd aan de Afdeling.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gezamenlijk met zaak nr. 200905747/1 ter zitting behandeld op 25 februari 2010, waar [appellant], in persoon, het college, vertegenwoordigd door H. Manski en N.E.M. van Hurck, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, en vergunninghouder zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Katspolder" (hierna: het bestemmingsplan) omdat het niet voldoet aan de planvoorschriften van de op het perceel rustende bestemming "Eengezinshuizen, bungalows, klasse A, met bijbehorende erven (EBA)."

Het bouwplan is voorzien op 2 meter van de perceelsgrens met het perceel [locatie], waar ingevolge artikel 8, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tenminste 3 meter dient te bedragen.

Om daarvoor niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. Ingevolge die bepalingen kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4. Voor de toepassing van deze bevoegdheid heeft het college bij besluit van 1 januari 2004 de beleidsnotitie "Vrijstellingenbeleid artikel 19, lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de beleidsnotitie) vastgesteld. In deze beleidsnotitie is vermeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college bereid is vrijstelling te verlenen.

Volgens de beleidsnotitie verleent het college geen vrijstelling voor het overschrijden van de in het bestemmingsplan voorgeschreven afstandsmaten tot perceelsgrenzen, tenzij omstandigheden een vrijstelling alsnog rechtvaardigen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen, naar hij stelt, niet waarheidsgetrouw zijn en dientengevolge niet wordt voldaan aan in de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: het Biab) gestelde vereisten.

2.5.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 augustus 2007 in zaak nr. 200609028/1), terecht overwogen dat uit het enkele feit dat niet is voldaan in de bijlage bij het Biab gestelde vereisten, niet volgt dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, heeft de rechtbank voorts in het beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden. Zij heeft daarbij de aard en omvang van het bouwplan mede in aanmerking mogen nemen.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, als het heeft gedaan, aangezien met het te realiseren bouwplan zodanige schaduwwerking, vermindering van uitzicht en aantasting van het woon- en leefmilieu zullen ontstaan, dat hij daardoor onevenredig benadeeld wordt. Ook heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat het college aan zijn belangen geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen, aangezien vergunninghouder, naar hij stelt, niet ter plaatse zal blijven wonen.

2.6.1. Volgens het besluit van 7 april 2008 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat met het te realiseren bouwplan een geringe inbreuk op de planologische situatie wordt gemaakt, aangezien de afwijking van het bestemmingsplan er alleen in bestaat dat het bouwplan over een diepte van 2 meter op minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens, te weten 2 meter, is geprojecteerd, waar de gehele woning reeds op 2 meter van deze perceelsgrens is gelegen.

Voorts heeft het college zich volgens voormeld besluit op het standpunt gesteld dat met het realiseren van het bouwplan het woongenot van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij heeft het zich gebaseerd op een rapport van Grontmij Nederland B.V. van 4 februari 2008 (hierna: het rapport), gegeven op het zijdens [appellant] terzake gemaakte bezwaar, waarbij hij een door hem zelf verrichte schaduwstudie heeft overgelegd. Uit het rapport blijkt volgens het college dat het te realiseren bouwplan weliswaar schaduwwerking en vermindering van daglichttoetreding zal veroorzaken, echter gedurende een beperkte periode per jaar en gedurende een beperkte tijd per dag, te weten in de wintermaanden, wanneer de zon het laagst staat, 's avonds voor zonsondergang. Gegeven de omstandigheid dat het perceel in een stedelijk gebied is gelegen, waarbij rekening dient te worden gehouden met beperking van daglichttoetreding en schaduwwerking, is in dit geval van een onevenredige aantasting van het woongenot van [appellant] dan ook geen sprake, aldus het college.

2.6.2. [appellant] heeft niet gesteld dat het rapport zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet of niet zonder meer aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts heeft [appellant] desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij de bevindingen van het rapport op zichzelf niet betwist en dat deze bevindingen bovendien op hoofdlijnen overeenkomen met de bevindingen van de door hem zelf verrichte schaduwstudie. Volgens [appellant] heeft het college evenwel uit de bevindingen van het rapport niet in redelijkheid kunnen concluderen dat de daglichttoetreding in zijn woning niet in onevenredige mate worden beperkt.

2.6.3. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat realisering van het bouwplan, dat, zoals hiervoor onder 2.6.1 is vermeld, in een stedelijk gebied is geprojecteerd, zodanige schaduwwerking, vermindering van uitzicht en aantasting van het woon- en leefmilieu voor [appellant] veroorzaakt, dat het college in verband daarmee in redelijkheid de gevraagde vrijstelling niet heeft kunnen verlenen. In de omstandigheid dat vergunninghouder na realisering van het bouwplan voornemens is te verhuizen, zoals door [appellant] gesteld en door vergunninghouder betwist, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gezien te oordelen dat het college ook in verband daarmee de belangen bij het realiseren van het bouwplan niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen bij het niet realiseren daarvan.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het advies van de welstandscommissie van de gemeente Terneuzen (hierna: de welstandscommissie) van 19 april 2007 niet aan het besluit van 7 april 2008 ten grondslag heeft mogen leggen. Het bouwplan voldoet niet aan het in de welstandsnota neergelegde criterium dat de rooilijnen van de hoofdmassa's ten opzichte van elkaar kunnen verspringen, aldus [appellant].

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.7.2. Volgens de welstandsnota geldt voor de individuele uitbreidingen in het gebied, waarin het perceel is gelegen, onder meer het criterium dat de rooilijnen van de hoofdmassa's ten opzichte van elkaar kunnen verspringen.

Het bouwplan overschrijdt de op de plankaart aangegeven bebouwingsoppervlakte aan de voorzijde van de woning niet en past derhalve in dit opzicht binnen de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dienen bij de welstandstoets de geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt te worden gehanteerd. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college het advies van de welstandscommissie van 19 april 2007 niet aan het besluit van 7 april 2008 ten grondslag heeft mogen leggen, daargelaten of, zoals [appellant] betoogt, voormeld welstandscriterium aldus dient te worden begrepen dat de rooilijnen van de hoofdmassa's moeten verspringen ten opzichte van elkaar.

Het betoog faalt.

2.8. Het besluit van 27 oktober 2009 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht voorwerp te zijn van dit geding. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift wordt bij dit geding betrokken.

2.9. De stelling van [appellant] dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen, als het heeft gedaan en dat het college het bouwplan ten onrechte in overeenstemming met redelijke eisen van welstand heeft geacht, faalt gelet op het hiervoor onder 2.6.3 en 2.7.2 overwogene.

2.10. Ingevolge artikel 2.5.18, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Terneuzen (hierna: de bouwverordening) zijn erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, niet toegelaten.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

2.11. [appellant] betoogt dat het college geen ontheffing voor de schutting op het perceel heeft kunnen verlenen, als het heeft gedaan.

2.11.1. Volgens het besluit van 27 oktober 2009 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat met het realiseren van het bouwplan een belang, als bedoeld in artikel 2.5.18, tweede lid, van de bouwverordening is ontstaan en voorts dat stedenbouwkundige belangen dan wel belangen van derden zich niet verzetten tegen verlening van ontheffing krachtens deze bepaling. Gegeven deze motivering kan in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden worden voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen ontheffing heeft kunnen verlenen, als het heeft gedaan. Het betoog faalt.

2.12. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 27 oktober 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. De Haseth

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

476.