Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9587

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200908852/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908852/1/H2.

Datum uitspraak: 31 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober 2009 in zaak nr. 08/2276 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 13 en 19 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.F. Brandenburg en J.A.R. Hoogendoorn, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 25 februari 2005 heeft het college de bewoning van een pand aan de [locatie] te [plaats] beëindigd en het pand vervolgens gesloten en verzegeld.

Bij besluit van 4 maart 2005 heeft het college de sluiting en verzegeling van het pand bevestigd. Bij brief van 8 maart 2005 heeft het college aan [appellant] de voorwaarden bekend gemaakt aan welke hij dient te voldoen om het pand weer vrij te kunnen maken voor bewoning.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2006 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 maart 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van illegale bewoning van het pand en een zeer (brand)gevaarlijke situatie in het pand en derhalve terecht tot sluiting en verzegeling van het pand is overgegaan. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe alle door haar gestelde voorwaarden aan de opheffing van de sluiting en verzegeling van het pand zich verhouden tot de brandveiligheid.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar en in dat besluit drie voorwaarden van de oorspronkelijke lijst van werkzaamheden als voorwaarden voor de opheffing van de sluiting en verzegeling gehandhaafd, omdat deze direct van belang zijn voor de brandveiligheid.

[appellant] heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.

2.2. [appellant], eigenaar van het pand, waarin een kamerverhuurbedrijf was gevestigd, stelt schade te hebben geleden doordat het college ten onrechte de verzegeling van het pand heeft laten voortduren nadat de gebreken door [naam bedrijf] op 11 maart 2005 zijn verholpen. Vanaf die datum tot aan de uitspraak van de rechtbank van 14 september 2006 stelt hij huuropbrengsten te hebben misgelopen. [appellant] heeft in oktober 2005 het pand verkocht.

2.3. Het college heeft bij besluit van 11 februari 2008, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 5 februari 2008, de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Daartoe heeft het overwogen dat [appellant] niet heeft voldaan aan de voorwaarden die moesten zijn vervuld om de woning weer vrij te geven en er reeds daarom geen sprake kan zijn van schade door een te lange sluiting van de woning.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de door [appellant] gestelde schade niet het gevolg is van het door de rechtbank vernietigde besluit van 19 oktober 2005, maar van het rechtmatig laten voortduren van de sluiting en verzegeling van het pand.

2.5. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er op 25 februari 2005 sprake was van illegale bewoning. Het college heeft aldus onrechtmatig gehandeld door de bewoners op straat te zetten en heeft hen ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken tegen het besluit van 25 februari 2005. Daarnaast stelt hij dat het college de drie voorwaarden niet meer ten grondslag mocht leggen aan het besluit van 10 april 2007, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2009. Ook stelt hij dat hij heeft kunnen volstaan met het instellen van één beroep tegen het besluit van 11 februari 2008, waarbij de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd, en het besluit van 10 april 2007. Tot slot stelt hij dat zijn verzoek om schadevergoeding in strijd met, onder meer, de redelijkheid ten onrechte is afgewezen.

2.6. Dit betoog faalt.

[appellant] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 september 2006, waarin de rechtbank heeft overwogen dat het college terecht is overgegaan tot sluiting en verzegeling van het pand. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank in de thans voorliggende uitspraak terecht van de juistheid van dit eerder gegeven oordeel is uitgegaan en dat dit ook thans niet meer aan de orde kan worden gesteld.

Voor zover [appellant] alsnog de onrechtmatigheid van het besluit van 10 april 2007 aan de orde wil stellen, kan dat niet tot het beoogde resultaat leiden. [appellant] heeft immers geen beroep ingesteld tegen dit besluit, zodat dit besluit, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer in uitspraak van 28 februari 2007 in zaak 200606016/1, in rechte onaantastbaar is en derhalve van de rechtmatigheid ervan, zowel wat betreft inhoud als wat betreft de wijze van tot stand komen, moet worden uitgegaan. Anders dan hij stelt, heeft hij bij brief van 19 maart 2009 alleen beroep ingesteld tegen het besluit van 11 februari 2008. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel nopen.

Tot slot heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door [appellant] gestelde schade niet het gevolg is van het besluit van 19 oktober 2005. De schade is het gevolg van de reeds bij uitspraak van de rechtbank van 14 september 2006 rechtmatig geoordeelde sluiting en verzegeling van het pand. Voor zover [appellant] betoogt dat hij door het besluit van 19 oktober 2005 zich gedwongen zag het pand voor een te lage prijs te verkopen, is van belang dat zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien dat dat besluit tot verkoop van het pand noopte en dat de verkoop derhalve het gevolg was van de eigen keuze van [appellant].

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010

299.