Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200909292/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2009, kenmerk 2009-009425, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van de artikelen 19d en 43 van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909292/1/R2.

Datum uitspraak: 23 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken van de vereniging Villapark "De Zeven Heuvelen", gevestigd te Groesbeek, (hierna: de vereniging) en anderen, en de onderlinge waarborgmaatschappij "Coöperatieve Mobilisation for the Environment U.A.", gevestigd te Nijmegen, (hierna: MOB) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009, kenmerk 2009-009425, heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning op grond van de artikelen 19d en 43 van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben de vereniging en anderen en MOB bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, hebben de vereniging en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2009, heeft MOB de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 februari 2010, waar de vereniging en anderen en MOB, beide vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.F.H.A. Tillie en ir. A. Fopma, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door ing. R.B.M. Aagten, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft betoogd dat noch de vereniging noch de eigenaren van de vakantiewoningen op het villapark belanghebbende zijn.

Het vakantiepark valt binnen de geurcontour van de pluimveehouderij. De eigenaren en/of gebruikers van de vakantievilla's ondervinden derhalve milieugevolgen van dit bedrijf. Reeds daarom zijn zij belanghebbenden bij het besluit tot vergunningverlening. Nu de argumenten van deze verzoekers om voorlopige voorziening dienen te worden behandeld, ziet de voorzitter in het kader van de onderhavige procedure thans geen aanleiding om een oordeel te geven over de vraag of de vereniging belanghebbende is.

2.2. De vergunning ziet op een bedrijfsvoering met ten hoogste 232.000 legkippen.

2.3. De vereniging en anderen en MOB voeren aan dat de toegestane ammoniakdepositie aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de nabijgelegen natuurgebieden. De kritische depositiewaarden in deze gebieden worden volgens hen in de huidige situatie al fors overschreden. Volgens hen heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ammoniakdepositie ten opzichte van de situatie per 1 oktober 2005 trendmatig afneemt. Zij stellen dat het college ten onrechte bij het verlenen van de vergunning ervan is uitgegaan dat de pluimveehouderij een bestaand bedrijf is, waarvan thans alleen de bedrijfsvoering wordt gewijzigd. De pluimveehouderij is echter nooit op basis van een onherroepelijke milieuvergunning in werking geweest, en heeft zelfs van 1998 tot en met 2002 volledig stilgelegen. Verder is nooit eerder een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet voor het bedrijf verleend. Het voorgaande brengt met zich dat zich nu juridisch gezien een oprichtingssituatie voordoet, en er dus geen vergelijking met een voorheen bestaande situatie mag worden gemaakt. Zou dit wel zo zijn, dan zou dat betekenen dat rechten ontleend kunnen worden aan situaties die nooit legaal zijn geweest. Dit kan volgens hen niet de bedoeling van de Natuurbeschermingswet 1998 zijn geweest.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat, juist omdat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen rekening mag worden gehouden met de op basis van de Wet milieubeheer vergunde situatie, voor de vraag of er een afname is van de ammoniakdepositie, aansluiting is gezocht bij de feitelijke situatie per 1 oktober 2005. Volgens het college werden er destijds 300.000 kippen gehouden. Het aantal te houden kippen waarvoor thans vergunning wordt gevraagd, is derhalve lager. Er treedt minder ammoniakdepositie op bij de nabijgelegen natuurgebieden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat uit onderzoek is gebleken dat de depositie van stikstof landelijk gezien een dalende trent vertoont, heeft het college gemeend dat vergunning kan worden verleend.

2.5. Vast staat en niet in geschil is dat voor de ingebruikname van de pluimveehouderij als door [vergunninghouder] gewenst een vergunningplicht bestaat op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. De voorzitter betwijfelt of het hiervoor onder overweging 2.4 verwoorde standpunt van het college zich verdraagt met het stelsel van de Natuurbeschermingswet 1998. De milieuvergunningen voor het houden van 300.000 legkippen in de pluimveehouderij in haar huidige omvang en vorm, zijn immers altijd bestreden en hebben uiteindelijk geen stand gehouden. De pluimveehouderij is nadien ook gesloten geweest. Voorts staat vast dat de kritische depositiewaarden voor ammoniak in de huidige situatie worden overschreden in een aantal, in het besluit nader genoemde, natuurgebieden alsmede dat de ingebruikname een negatieve invloed zal hebben op die depositie. Dat de depositie van ammoniak een dalende tendens zou vertonen, zoals door het college is gesteld, doet hier niet aan af nu gesteld noch gebleken is dat een daling tot onder de kritische depositiewaarden voorzienbaar is.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De voorzitter ziet aanleiding een wegingsfactor 0,5 toe te passen als bedoeld in de bijlage genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu de verzoekschriften van de vereniging en MOB gelijkluidend zijn, opgesteld zijn door dezelfde beroepsmatige rechtsbijstandverlener en verzoekers zich ook op de zitting door deze zelfde rechtsbijstandverlener hebben laten bijstaan.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 20 oktober 2009, kenmerk 2009-009425, tot en met zes weken na de op de voorgeschreven wijze gedane bekendmaking van de beslissing op de daartegen ingediende bezwaarschriften met dien verstande dat, wanneer binnen die termijn van zes weken de voorzitter is benaderd met een verzoek om voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat de voorzitter op dat verzoek heeft beslist;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de vereniging Villapark "De Zeven Heuvelen", en anderen, in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 476,45 (zegge: vierhonderdzesenzeventig euro en vijfenveertig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstand dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de vereniging Villapark "De Zeven Heuvelen", en anderen en de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Mobilisation for the Environment U.A. het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Villapark "De Zeven Heuvelen", en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Mobilisation for the Environment U.A. vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010

45-361.