Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
200909182/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij besluit van 25 augustus 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Haarweg 9" te Overberg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2010/89 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909182/2/R2.

Datum uitspraak: 22 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], [gemeente],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij besluit van 25 augustus 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Haarweg 9" te Overberg.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 december 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. B. van Eijk, advocaat te Amersfoort, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assmann, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door K.F. van de Velde en A.R.M. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente, en [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in een vormverandering van het agrarisch bouwvlak ter plaatse van het perceel Haarweg 9 te Overberg, ten behoeve van de bouw van een stal voor melkgeiten.

2.3. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat een aanvraag voor een bouwvergunning voor de stal is ingediend. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat [verzoeker] niet eerder dan in zijn beroepschrift aanvoert dat de risico's van de Q-koorts aan het wijzigingsplan in de weg staan, zodat [verzoeker] in zoverre niet in beroep kan worden ontvangen. Het wijzigingsplan is, zoals is voorgeschreven in het bestemmingsplan waarop het is gebaseerd, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij het college van burgemeester en wethouders naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. In zijn zienswijze richt [verzoeker] zich tegen het gehele wijzigingsplan. De beroepsgrond omtrent Q-koorts kan worden aangemerkt als nadere argumentatie van de ingebrachte zienswijze, zodat er geen grond is om aan te nemen dat het beroep van [verzoeker] in zoverre in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.5. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het plan. Hij betoogt onder meer dat het college van gedeputeerde staten in het belang van de volksgezondheid had moeten onderzoeken welke gevolgen de verspreiding van de Q-koorts heeft voor dit plan. Volgens [verzoeker] was reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een met Q-koorts besmette bedrijfslocatie bekend in de provincie Utrecht en had het college van gedeputeerde staten op de hoogte kunnen zijn van de risico's van de Q-koorts. Voorts wijst [verzoeker] op het door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 18 december 2009 afgekondigde aanvoerverbod voor melkschapen- en geitenbedrijven met meer dan vijftig dieren, en op het op 16 december 2009 afgekondigde moratorium op de uitbreiding van deze bedrijven.

2.6. Ter zitting heeft het college van gedeputeerde staten aangevoerd dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen regelgeving in werking was of (provinciaal) beleid was vastgesteld over de Q-koorts in relatie tot de ruimtelijke ordening. Ook is onzeker welke maatregelen hieromtrent worden genomen, aldus het college van gedeputeerde staten. Het heeft desgevraagd toegelicht dat het provinciebestuur zich beraadt over eventueel te nemen maatregelen in verband met de Q-koorts.

2.7. Buiten geschil is dat de in het wijzigingsplan voorziene stal op circa 275 meter van de bebouwde kom van Overberg en op 70 meter van de woning van [verzoeker] ligt. Gelet op deze afstanden, de onzekerheden over de uitkomst van het provinciaal beraad omtrent de Q-koorts en de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit afgekondigde maatregelen met betrekking tot de Q-koorts, acht de voorzitter het noodzakelijk om de goedkeuring van het plan te schorsen. Hierdoor wordt voorkomen dat onomkeerbaar een nieuwe situatie kan ontstaan die uit een oogpunt van volksgezondheid onwenselijk wordt geoordeeld. Indien vóór de behandeling van de bodemprocedure duidelijkheid ontstaat over de te nemen maatregelen, kan opheffing van de schorsing worden verzocht.

2.8. Gelet hierop kunnen de overige gronden die [verzoeker] naar voren heeft gebracht thans buiten bespreking blijven.

2.9. Het college van gedeputeerde staten dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 13 oktober 2009, kenmerk 2009INT249869;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 905,15 (zegge: negenhonderdvijf euro en vijftien cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2010

234-618.