Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL9289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
200804879/3/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / ongewenstverklaring / omvang van het geding / beoordeling meldplicht

In het hoofdgeding is aan de orde of de voorzieningenrechter al dan niet terecht heeft geoordeeld dat, kort samengevat weergegeven, de staatssecretaris zijn besluit van 28 december 2007 tot handhaving van de ongewenstverklaring van de vreemdeling onvoldoende heeft gemotiveerd. De beoordeling van de rechtmatigheid van een aan de vreemdeling opgelegde maatregel van toezicht valt buiten de grenzen van dit geding. Met zijn verzoek kan de vreemdeling in deze procedure derhalve niet bewerkstelligen dat de hem opgelegde meldplicht wordt opgeheven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804879/3/V3.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter), van 28 mei 2008 in zaak nrs. 08/2431 en 08/2426 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 28 december 2007 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2008, verzonden op 29 mei 2008, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit, voor zover het strekt tot handhaving van de ongewenstverklaring van de vreemdeling, vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij verwijzingsuitspraak van 31 december 2009 in deze zaak, nr. 200804879/1/V3 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling prejudiciƫle vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en de behandeling van het hoger beroep van de staatssecretaris geschorst.

Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 maart 2010, heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek strekt er primair toe de rechtsgevolgen van het besluit van 20 maart 2007 te schorsen zolang de Afdeling niet op het hoger beroep van de staatssecretaris heeft beslist, onder gelijktijdige opdracht aan de staatssecretaris (lees: de minister van Justitie; hierna: de minister) om de vreemdeling een verblijfsaantekening te verstrekken waaruit blijkt dat deze rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en het hem is toegestaan arbeid te verrichten.

Subsidiair strekt het verzoek ertoe de aan de vreemdeling opgelegde wekelijkse meldplicht op te heffen dan wel te schorsen zolang de Afdeling niet op het hoger beroep van de staatssecretaris heeft beslist.

2.1.1. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

Ingevolge artikel 67, derde lid, van deze wet, kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 geen rechtmatig verblijf hebben.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 5 juni 2009 in zaak nr. 200903471/2/V3, www.raadvanstate.nl), kan het verzoek van de vreemdeling bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit van 20 maart 2007 te schorsen, gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring, uitsluitend geacht worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om hem uit te zetten. Deze voorlopige voorziening is reeds bij de voormelde uitspraak van 28 mei 2008 door de voorzieningenrechter getroffen.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 april 2007 in zaak nr. 200608013/1; www.raadvanstate.nl) brengt de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel niet met zich dat de ongewenstverklaring niet meer bestaat. Gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling derhalve geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 hebben.

Voor zover de vreemdeling heeft verzocht om schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit van 20 maart 2007, onder gelijktijdige opdracht aan de minister tot verstrekking van een verblijfsaantekening, heeft hij derhalve geen processueel belang bij zijn verzoek.

2.1.3. In het hoofdgeding is aan de orde of de voorzieningenrechter al dan niet terecht heeft geoordeeld dat, kort samengevat weergegeven, de staatssecretaris zijn besluit van 28 december 2007 tot handhaving van de ongewenstverklaring van de vreemdeling onvoldoende heeft gemotiveerd. De beoordeling van de rechtmatigheid van een aan de vreemdeling opgelegde maatregel van toezicht valt buiten de grenzen van dit geding. Met zijn verzoek kan de vreemdeling in deze procedure derhalve niet bewerkstelligen dat de hem opgelegde meldplicht wordt opgeheven.

2.2. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

347-551.

Verzonden: 24 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser