Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200906738/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 3 september 2008, in zaak nr. 200704429/1, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] geheel ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:119
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2010/116
JOM 2010/337
JOM 2010/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906738/1/R1.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2008, in zaak nr. 200704429/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 3 september 2008, in zaak nr. 200704429/1, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] geheel ongegrond verklaard.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2009, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht de uitspraak te herzien.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 februari 2010, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. B.C. Schoenmaker, werkzaam bij Schoenmaker Bedrijfsjuridisch Advies te Aalsmeer, is verschenen. Voorts zijn het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, en de raad van de gemeente Aalsmeer, vertegenwoordigd door ing. R. Luijendijk, werkzaam bij de gemeente, ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, bezien in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten besloten omtrent goedkeuring van het door de raad bij besluit van 7 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Uiterweg Plasoevers 2005". Daarbij heeft het college goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Jachthaven I" van het perceel van [verzoeker] aan de [locatie sub 1]. In beroep tegen dit besluit heeft [verzoeker] onder meer betoogd dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel geen tweede (bedrijfs)woning op zijn perceel is toegelaten, nu het plan wél in nieuwe woningen voorziet op de percelen [locaties sub 2] nrs. […], […], […], […], […], […], […] en […].

2.3. In de uitspraak van 3 september 2008 heeft de Afdeling overwogen dat het beroep van [verzoeker] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Bij dit oordeel heeft de Afdeling betrokken dat vanwege de raad is verklaard dat, anders dan voor de opstal op het perceel van [verzoeker], ten aanzien van de percelen [locaties sub 2] nrs. […], […], […], […], […], […], […] en […] bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van een woning.

2.4. [verzoeker] voert aan dat na voornoemde uitspraak uit recentelijk door hem verricht onderzoek is gebleken dat geen bouwvergunningen zijn verleend voor de woningen achter het lint op de percelen [locaties sub 3]. Volgens hem zou de Afdeling mogelijk tot een ander oordeel zijn gekomen, wanneer zij hiermee ten tijde van de uitspraak bekend was geweest.

2.5. De Afdeling stelt vast dat het feit dat voor de bouw van de woningen [locaties sub 3] geen bouwvergunningen zijn verleend, althans dat hiervan niet is gebleken, dateert van vóór de datum van de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht. Nu niet alleen [verzoeker], maar ook het college van gedeputeerde staten in de goedkeuringsfase alsmede de deskundige van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak en de Afdeling in de beroepsfase omtrent dit feit door het gemeentebestuur onjuist zijn geïnformeerd, acht de Afdeling het aannemelijk dat dit feit bij [verzoeker] vóór de uitspraak van 3 september 2008 niet bekend was noch redelijkerwijs bekend kon zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat het gemeentebestuur juiste inlichtingen geeft naar aanleiding van een verzoek om informatie van feitelijke aard, waarover bij uitstek het gemeentebestuur beschikt en die voor [verzoeker] weinig toegankelijk is. Voor zover het college van burgemeester en wethouders zich in zijn aan [verzoeker] gerichte brief van 24 augustus 2009 op het standpunt heeft gesteld dat de deskundige en de Afdeling in de beroepsfase terzake een onderzoeksplicht hebben, oordeelt de Afdeling dat dit standpunt onjuist is.

Verder stelt de Afdeling vast dat in ieder geval de door [verzoeker] genoemde situatie op het perceel [locatie sub 3] een situatie betreft die overeenkomt met zijn situatie, in die zin dat het een opstal achter het lint betreft ten aanzien waarvan geen bouwvergunning voor de bouw van een woning is verleend en waarop evenals op zijn perceel het Luchthavenindelingbesluit Schiphol van toepassing is. Dat bij de toekenning van een woonbestemming aan het perceel [locatie sub 1] een fout is gemaakt, zodat van de raad niet kon worden gevergd deze handelwijze ten aanzien van [verzoeker] te herhalen, is de Afdeling niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een feit dat tot het oordeel leidt dat de raad het bestemmingsplan "[…]-Plasoevers 2005" wat betreft het plandeel met de bestemming "Jachthaven I" van het perceel [locatie sub 4] in strijd met artikel 3:2, tweede lid, van de Awb heeft vastgesteld, zodat het college van gedeputeerde staten, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Derhalve had dit feit tot een andere uitspraak geleid, indien zij vóór de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, bij de Afdeling bekend was geweest.

2.6. Het verzoek dient als gegrond te worden toegewezen. In verband daarmee dient de uitspraak van 3 september 2008, nr. 200704429/1, te worden herzien, voor zover het beroep van [verzoeker] tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven I" voor het perceel [locatie sub 4] ongegrond is verklaard. Het beroep van [verzoeker] wordt alsnog gegrond verklaard. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het bedoelde plandeel.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. herziet de uitspraak van 3 september 2008, nr. 200704429/1, voor zover het beroep van [verzoeker] ongegrond is verklaard;

II. verklaart het beroep alsnog gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 12 juni 2007, voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Jachthaven I" voor het perceel [locatie sub 1];

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat onderdeel IV. van deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 juni 2007;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en

mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

516-646.