Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200904814/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amex Property B.V. (hierna: Amex) twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 55b, in samenhang met artikel 37 van de Wet bodembescherming, op de locatie Leidseweg 219 e.o. te Voorschoten. Bij besluit van 25 mei 2009 heeft het college het door Amex hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de twee lasten, na wijziging van de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom onder B, zijn gehandhaafd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 37
Wet bodembescherming 39
Wet bodembescherming 43
Wet bodembescherming 55b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 57 met annotatie van FW
Milieurecht Totaal 2010/2944
JOM 2010/399
JM 2010/56 met annotatie van Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904814/1/M2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amex Property B.V., gevestigd te Voorschoten,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amex Property B.V. (hierna: Amex) twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 55b, in samenhang met artikel 37 van de Wet bodembescherming, op de locatie Leidseweg 219 e.o. te Voorschoten. Bij besluit van 25 mei 2009 heeft het college het door Amex hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de twee lasten, na wijziging van de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom onder B, zijn gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft Amex bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2010, waar Amex, vertegenwoordigd door mr. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. E. de Vilder en mr. J.A.M. van Hagen, zijn verschenen. Voorts is als partij Amvest Woningen-Nova Projectontwikkeling B.V. (hierna: Amvest), vertegenwoordigd door mw. mr. E.T.Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Ingevolge artikel IV van deze wet blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Dit betekent dat het nieuwe recht niet van toepassing is op het huidige geding.

2.2. In geschil is de bij het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom onder B. Het college heeft aan Amex gelast om binnen achttien maanden na de verzenddatum van het primaire besluit van 24 april 2008 te zijn aangevangen met de uitvoering van de sanering volgens het saneringsplan, waarmee het college heeft ingestemd. Bij het bestreden besluit van 25 mei 2009 heeft het college de last als zodanig gehandhaafd, maar de begunstigingstermijn verlengd in die zin dat Amex uiterlijk 4 maart 2010 met de uitvoering van dit saneringsplan moet zijn aangevangen.

2.3. Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft het college met toepassing van de artikelen 29, eerste lid en 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die destijds luidden, vastgesteld dat op de locatie Leidseweg 219 e.o. te Voorschoten, in eigendom van Amex, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering urgent is en heeft het bepaald dat binnen twee jaar na inwerkingtreding van het besluit met de sanering van voornoemde locatie moet zijn aangevangen. Bij uitspraak van 16 juni 2004, in zaak met nr. 200305945/1 heeft de Afdeling het beroep van Amex tegen het bij het besluit op bezwaar van 28 juli 2003 gehandhaafde besluit van 11 oktober 2002 ongegrond verklaard.

2.4. Ingevolge artikel II, onder 3, van de Wet van 15 december 2005 (Stb. 2005, 680), houdende wijziging van de Wet bodembescherming en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het beleid inzake bodemsaneringen, blijven beschikkingen die zijn gegeven krachtens artikel 37 van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen golden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet, van kracht. De beschikkingen worden voor de toepassing van de Wet bodembescherming gelijkgesteld met beschikkingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van deze wet, met dien verstande dat de vaststelling dat sprake is van urgentie om het betrokken geval te saneren, wordt gelijkgesteld met de vaststelling dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 55b, eerste lid, van de Wet bodembescherming is de eigenaar van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan, verplicht de bodem te saneren indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Met de sanering wordt begonnen uiterlijk voor het tijdstip dat is bepaald in de beschikking.

Ingevolge het tweede lid is artikel 43 niet van toepassing voor zover het de mogelijkheid van het college betreft om de eigenaar van een bedrijfsterrein als bedoeld in het eerste lid, te bevelen de bodem te saneren.

2.5. Ten tijde van het nemen van het primaire besluit had Amex nog geen aanvang gemaakt met de sanering van het perceel Leidseweg 219 e.o. te Voorschoten, zodat zij artikel 55b van de Wet bodembescherming heeft overtreden.

2.6. Gezien het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. Amex acht het in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel dat het college met handhaving onnodig lang heeft gewacht. Amex is hierdoor in een nadeliger positie komen te verkeren, nu het college door de inwerkingtreding van artikel 55b van de Wet bodembescherming niet langer eerst een saneringsbevel hoefde op te leggen. Het college heeft haars inziens Amex een mogelijkheid ontnomen om door op te komen tegen het saneringsbevel verweer te voeren ten aanzien van de vraag of zij schuldig eigenaar is.

2.7.1. Het college brengt naar voren dat aan het nemen van het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom een langdurig proces vooraf is gegaan, waarbij is getracht om zonder het toepassen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen Amex tot saneren te bewegen. Het college ontkent dat het de wetswijziging heeft afgewacht om Amex in een volgens haar ongunstige positie te brengen.

2.7.2. Na de wijziging van de Wet bodembescherming op 1 januari 2006 kan, indien de saneringsplicht ingevolge artikel 55b, eerste lid, van die wet bestaat, ingevolge het tweede lid van dit artikel het in artikel 43, derde lid, bedoelde saneringsbevel niet langer worden opgelegd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat Amex en het college in de periode 2003 - 2007 in overleg zijn geweest om te komen tot een aanpak van de sanering. Amex heeft niet concreet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het handelen van het college er op was gericht haar in een ongunstiger positie te brengen.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Amex voert vervolgens aan dat de tot 4 maart 2010 lopende begunstigingstermijn te kort is, nu het besluit van het college van 18 augustus 2009 tot instemming met het saneringsplan nog niet onherroepelijk is.

2.8.1. Het college brengt naar voren dat de begunstigingstermijn is gerelateerd aan de tijd die nodig is om in te stemmen met het saneringsplan en het aanbesteden, voorbereiden en een aanvang te maken met de sanering. De instemming met het saneringsplan heeft op 18 augustus 2009 plaatsgevonden, waarna voor Amex nog ruim 6 maanden resteerden om tot een aanvang van de saneringswerkzaamheden te komen.

Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat bijvoorbeeld zodra de eerste boringen zijn geplaatst, dit betekent dat de saneringswerkzaamheden zijn aangevangen.

2.8.2. Ingevolge artikel 39, tweede lid, vierde volzin, van de Wet bodembescherming kan met de uitvoering van het saneringsplan worden begonnen nadat het college met dat plan heeft ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend.

2.8.3. De tekst van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming noch de wetsgeschiedenis bij dit artikel biedt steun voor het oordeel dat het besluit tot instemming met het saneringsplan onherroepelijk dient te zijn alvorens met sanering kan worden begonnen. Voorts heeft Amex niet aannemelijk gemaakt dat zij niet met de sanering kan aanvangen, alvorens het besluit tot instemming met het saneringsplan onherroepelijk is. Haar stelling dat geen aannemer bereid is met de saneringswerkzaamheden te beginnen, zolang de instemming met het saneringsplan niet onherroepelijk is, heeft Amex niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande, mede gezien het verhandelde ter zitting, heeft het college in redelijkheid de begunstigingstermijn tot aan 4 maart 2010 kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

375-648.