Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8704

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200903229/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij en tuinderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/3818
JOM 2010/405
JOM 2010/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903229/1/M2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Rucphen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Rucphen, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij en tuinderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 mei 2009, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State eveneens ingekomen op 5 mei 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 juni 2009. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 3 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en het college hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2009, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door C.C.W. Soffers, ing. H. Vierhuis en ing. W.H. van Empel, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 2] en anderen hebben bij nadere memorie de beroepsgrond over het ten onrechte niet vaststellen van een meethoogte in de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften ingetrokken. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen de beroepsgronden over het niet op juiste wijze toepassing geven aan de in de Wet ammoniak en veehouderij neergelegde omgevingstoets, het ontbreken van een dimensioneringsplan en het niet toepassen van de beste beschikbare technieken ingetrokken.

2.2. Ter zitting heeft vergunninghouder aangevoerd dat het door [appellant sub 1] op 21 januari 2010 ingediende akoestische rapport van De Roever Milieuadvisering van 20 januari 2010 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.2.1. Het desbetreffende rapport heeft betrekking op een aspect dat in het beroepschrift naar voren is gebracht. Voorts is het rapport niet zodanig ingewikkeld dat dit gelet op de late indiening vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is voor zover dit betrekking heeft op het volgens hem ten onrechte niet stellen van controlevoorschriften ten aanzien van de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 en de ondeugdelijkheid van voorschrift 5.1.7. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is volgens het college niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op het niet kunnen voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden en het ten onrechte niet stellen van een controlevoorschrift ten aanzien van indirecte geluidhinder vanwege de inrichting.

2.3.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt (uitspraak van de Afdeling van 1 november 2006 in zaak no. 200602308/1).

2.3.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben zienswijzen naar voren gebracht over het aspect geluid. De hiervoor genoemde beroepsgronden hebben hierop eveneens betrekking, zodat het beroep, voor zover het deze beroepsgronden betreft, anders dan het college stelt, ontvankelijk is.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de in de vergunningvoorschriften opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de woningen [locatie A] en [locatie B] ontoereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder. Volgens [appellant sub 1] is het stellen van hogere geluidgrenswaarden dan de op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) geldende richtwaarden niet deugdelijk gemotiveerd. Hiertoe merkt hij onder meer op dat uit een namens het college uitgevoerde meting is gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid zodanig laag is, dat hierin geen rechtvaardiging is gelegen voor het stellen van hogere grenswaarden dan de richtwaarden. Voorts is volgens [appellant sub 1] niet gebleken dat, zoals het college stelt, in de bij het bestreden besluit vergunde situatie de geluidbelasting min of meer hetzelfde zal blijven als in de reeds vergunde situatie.

2.4.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder aansluiting gezocht bij de Handreiking. Voor een landelijke omgeving, zoals hier aan de orde, zijn richtwaarden aanbevolen van 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

2.4.2. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.1.1, voor zover hier van belang, is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten in de dagperiode niet meer mag bedragen dan 45 dB(A) ter plaatse van de gevel van de woningen [locatie A] en [locatie B] en in de nachtperiode niet meer mag bedragen dan 31 dB(A) ter plaatse van de gevel van de woning [locatie B].

De Regionale Milieudienst West-Brabant heeft een onderzoek uitgevoerd naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Uit dit onderzoek blijkt dat de gestelde grenswaarden hoger zijn dan het gemeten referentieniveau van het omgevingsgeluid.

2.4.3. Het college acht het aanvaardbaar dat de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen [locatie A] en [locatie B] hoger zijn dan de richtwaarden en het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Hiertoe neemt het college in aanmerking dat de maatgevende bedrijfsactiviteiten in de dagperiode, die een geluidbelasting van 45 dB(A) veroorzaken op de gevels van de woningen [locatie A] en [locatie B], en de maatgevende activiteiten in de nachtperiode, die een geluidbelasting van 31 dB(A) ter plaatse van de gevel van de woning [locatie A] veroorzaken, niet afwijken van de thans vergunde bedrijfsactiviteiten. Voorts zijn (aanvullende) maatregelen ter beperking van de geluidbelasting van 45 dB(A) in de dagperiode en 31 dB(A) in de nachtperiode volgens het college niet mogelijk.

2.4.4. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat (aanvullende) maatregelen ter beperking van de geluidbelasting van 45 dB(A) in de dagperiode en van 31 dB(A) in de nachtperiode mogelijk zijn. Mede gelet daarop is de bestuurlijke afweging van het college niet onredelijk. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 5.1.1 toereikend is om onaanvaardbare geluidhinder vanwege de inrichting wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te voorkomen.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren ten aanzien van de woning [locatie C] aan dat uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende akoestische rapport van 11 februari 2008 blijkt dat ter plaatse van deze woning in de avond- en nachtperiode een hogere geluidbelasting optreedt wat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau betreft, dan bij het bestreden besluit is vergund. Volgens [appellant sub 2] en anderen geldt hetzelfde voor de woning [locatie B] in de nachtperiode. Volgens [appellant sub 1] wordt de overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de ventilatoren van stal 5. Hij wijst er op dat het college ervan uitgaat dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan door de ventilatoren in de avond- en nachtperiode op een lager vermogen te laten draaien ten gevolge waarvan een geluidreductie zou worden bewerkstelligd van 3 en 8,5 dB(A). [appellant sub 1] voert aan dat uit het in zijn opdracht door De Roever Milieuadvisering opgestelde rapport van 20 januari 2010 echter blijkt dat het college er ten onrechte van uitgaat dat door het reguleren van het toerental van de ventilatoren voldaan kan worden aan de gestelde grenswaarden. Volgens dit rapport is het op een lager vermogen laten draaien van de ventilatoren gelet op de ventilatiebehoefte van de kuikens niet mogelijk. Daarnaast volgt uit dit rapport dat de gestelde grenswaarden zelfs worden overschreden wanneer het toerental van de ventilatoren wordt gereguleerd.

2.5.1. Aan het bestreden besluit ligt een door Greten Raadgevende Ingenieurs B.V. opgesteld akoestisch rapport ten grondslag van 11 februari 2008. Uit dit rapport blijkt dat wanneer de ventilatoren van stal 5 op een toerental van 100% in werking zijn, de in voorschrift 5.1.1 gestelde grenswaarden voor de woningen [locatie B] en [locatie C] in de avondperiode en de gestelde grenswaarde voor de woning [locatie B] in de nachtperiode worden overschreden. Het college gaat er in het bestreden besluit van uit dat de ventilatiebehoefte in de avond- en nachtperiode lager zal zijn dan in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode kunnen de ventilatoren volgens het college daarom op een lager vermogen draaien. Door onder meer het reguleren van het toerental van de ventilatoren in de avond- en nachtperiode kan volgens het college worden voldaan aan de in voorschrift 5.1.1 gestelde geluidgrenswaarden.

2.5.2. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag blijkt dat het reguleren van het toerental van de ventilatoren niet is aangevraagd. Hieruit volgt dat een hogere geluidbelasting is aangevraagd, dan ingevolge de vergunning is toegestaan. Uit het akoestische rapport blijkt dat voorschrift 5.1.1 in de aangevraagde situatie niet kan worden nageleefd. Gelet hierop is de gevraagde vergunning in zoverre impliciet geweigerd, hetgeen zich niet verdraagt met het stelsel van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen controlevoorschriften aan de vergunning zijn verbonden ten aanzien van de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4. Daarnaast voert [appellant sub 1] aan dat voorschrift 5.1.7 niet voldoet als controlevoorschrift voor de in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 gestelde geluidgrenswaarden. In dit voorschrift is de verplichting opgenomen dat binnen drie maanden een rapport dient te worden overgelegd waarin wordt aangetoond dat aan de in de voorschriften 5.1.1 en 5.1.2 gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Volgens [appellant sub 1] valt echter niet te verwachten dat de inrichting binnen drie maanden volledig in werking is, zodat het onderzoek niet representatief zal zijn.

2.6.1. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, worden, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.6.2. De vergunningvoorschriften 5.1.1, 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.4, waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Hierbij bestaat geen ruimte voor een afweging door het bevoegd gezag.

2.6.3. Aan de verplichting van voorschrift 5.1.7 dat binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning een rapport dient te worden overgelegd is niet de voorwaarde gesteld dat de uitbreiding geheel dient te zijn gerealiseerd. Hierdoor geeft voorschrift 5.1.7 geen zekerheid dat bij het volledig in werking zijn van de inrichting aan de grenswaarden wordt voldaan en voldoet het voorschrift niet aan de eisen als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, onder a en b, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

Ten aanzien van de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 zijn geen controlevoorschriften gesteld. Daarom is het bestreden besluit ook in zoverre in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde ten tijde van dat besluit.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte een ontheffing is verleend voor het verladen van kuikens in de nachtperiode. Volgens [appellant sub 1] is niet deugdelijk gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat deze activiteit in de nachtperiode plaatsvindt. Hij wijst er daarbij op dat deze activiteit in de reeds vergunde situatie niet in de nachtperiode plaatsvindt, zodat moet worden betwijfeld of het nodig is om de kuikens in de nacht te verladen.

2.7.1. Het college erkent dat het verladen van kuikens in de nachtperiode niet eerder vergund was, maar stelt zich op het standpunt dat dit nu wel noodzakelijk is. Ter motivering hiervan wordt door het college opgemerkt dat de drijver van de inrichting voor het afvoeren van zijn dieren afhankelijk is van de pluimveeslachterijen. De slachterijen eisen dat de dieren in de vroege ochtend aanwezig zijn. Daarbij komt dat de kuikens, om stress te voorkomen waardoor de kwaliteit van het vlees minder wordt, op tijd aanwezig moeten zijn. Voorts is de reistijd naar de slachterijen de laatste jaren toegenomen. Dit heeft te maken met de drukte op het Nederlandse wegennet en met de toenemende reisafstand naar de slachterijen.

2.7.2. Het college heeft in de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 een ontheffing opgenomen voor het 8 maal per kalenderjaar verladen van kuikens in de nachtperiode. Ter plaatse van de woning [locatie B] is voor die situatie een piekgeluidgrenswaarde gesteld van 71 dB(A) voor het maximale geluidniveau in de avond- en nachtperiode. Het college heeft hierbij aansluiting gezocht bij de in paragraaf 5.3 van de Handreiking neergelegde ontheffingsregeling, het zogenoemde 12 dagen-criterium. Uit de Handreiking volgt dat maximaal 12 maal per jaar ontheffing kan worden verleend om activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), die niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Dat wil niet zeggen dat daaraan geen limiet gesteld kan worden. In deze gevallen moet worden onderzocht in hoeverre de hinder kan worden beperkt.

2.7.3. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college in overeenstemming met de Handreiking heeft nagegaan of en zo ja, in hoeverre de hinder kan worden beperkt. Gelet hierop berust het bestreden besluit, voor zover het de voorschriften 5.1.3 en 5.1.4 betreft, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

De beroepsgrond slaagt.

2.8. Nu het geluidaspect bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.9. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rucphen van 17 maart 2009, kenmerk RU6V210;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rucphen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.342,65 (zegge: dertienhonderdtweeënveertig euro en vijfenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, € 270,00 aan verletkosten en € 400,00 aan het door [appellant sub 1] ingediende deskundigenrapport;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rucphen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rucphen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en eveneens € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

407-578.