Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200806790/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2008, kenmerk PZH-2008-578021, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lansingerland (hierna: de raad) bij besluit van 22 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Lint-Zuid" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806790/1/R2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2008, kenmerk PZH-2008-578021, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lansingerland (hierna: de raad) bij besluit van 22 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Lint-Zuid" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik (hierna: SNV) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2008, beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

SNV en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2010, waar SNV, vertegenwoordigd door [voorzitter] van SNV, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Molenwijk, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door B. Nikerk en M. Koorevaar-Kuiper, beiden werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het plan wordt beoogd verouderde plannen te vervangen en de juridische basis te leggen voor onder meer de aanleg van een busstation nabij het RandstadRail-station Rodenrijs en - voor zover hier van belang - de aanleg van ongeveer 200 meter van de voorziene, vrijliggende Zoetermeer/Rotterdam-busbaan (hierna: de ZoRo-busbaan) vanaf het voormelde busstation tot aan de zuidoostelijk gelegen begrenzing van het plangebied nabij het provinciale fietspad F269.

2.2.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, onder 1.1, aanhef en onder c en d, van de planvoorschriften zijn de op de kaart aangewezen gronden binnen de bestemming "Busstation -V(bs)-" bestemd voor een busstation en zijn de op de kaart aangewezen gronden binnen de bestemming "Busbaan -V(wb)-" bestemd voor een weg ten behoeve van het openbaar vervoer (busbaan).

Ingevolge artikel 26, tweede lid, onder 2.3, hebben de bestemmingen "Busstation -V(bs)-" en "Busbaan -V(wb)-" betrekking op voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer (busstation en busbaan) met de daarbij behorende voorzieningen.

2.3. SNV betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het de aanleg van de ZoRo-busbaan mogelijk maakt op de gronden, die op de kaart zijn aangewezen voor de bestemming "Busbaan -V(wb)-" en de aanleg van een busstation ten behoeve van de ZoRo-busbaan op de gronden, die op de kaart zijn aangewezen voor de bestemming "Busstation -V(bs)-".

SNV voert aan dat met betrekking tot de voorziene ZoRo-busbaan ten onrechte geen milieu-effectrapportage (hierna: MER) als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer ten grondslag is gelegd. Volgens haar had, ingevolge het bepaalde in bijlage C, onder categorie 2.2, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, voor de busbaan een MER opgesteld moeten worden gelet op de doorsnijding van het kwetsbare natuurgebied in de Vlinderstrik.

Verder betoogt SNV dat het college aan het plan geen goedkeuring had mogen verlenen, nu de procedure in het kader van artikel 19, eerste lid, van de WRO nog niet was afgerond.

Volgens SNV dient het kwetsbare gebied Vlinderstrik gevrijwaard te blijven van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Nu de voorziene ZoRo-busbaan sterk afwijkt van het in het zogenoemde plan RR2020 gereserveerde en aan de HSL gekoppelde ZoRo-lijntracé, acht zij de voorziene aanleg een ongewenste ruimtelijke ontwikkeling.

SNV betoogt voorts dat de aanleg en het gebruik van een niet ingepaste ZoRo-busbaan op het voorgenomen tracé in de Vlinderstrik in strijd zijn met doelstellingen van de geldende Planologische Kernbeslissing Project Mainportontwikkeling Rotterdam van 2006 (hierna: PKB/PMR 2006).

Tevens betwist zij de noodzaak van de ZoRo-busbaan en vreest zij overlast als gevolg van het busstation bij station Rodenrijs.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat er met betrekking tot de aanleg van de ZoRo-busbaan geen verplichting bestaat tot het opstellen van een MER.

Het college stelt zich verder op het standpunt dat de procedure ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO voor de ZoRo-busbaan een zelfstandige juridische procedure betreft, die geen invloed heeft op de bestemmingsplanprocedure.

In navolging van de raad stelt het college zich verder op het standpunt dat voor zover beroepsgronden zich richten tegen aantasting van het natuurgebied de Vlinderstrik, dit gebied geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende plangebied. Volgens het college is de voorziene aanleg van de ZoRo-busbaan in overeenstemming met het geldende Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam RR 2020, dat op 12 oktober 2005 door provinciale staten van Zuid-Holland als streekplan en op 9 november 2005 door de regioraad van de stadsregio Rotterdam als regionaal structuurplan is vastgesteld, en dat daarna op 22 november 2005 als regionaal structuurplan door het college is goedgekeurd (hierna: RR2020).

Volgens het college heeft de busbaan nauwelijks invloed op het nog te realiseren natuurgebied in de Vlinderstrik, zodat nog steeds kan worden voldaan aan de doelstelling zoals opgenomen in de PKB/PMR 2006.

Het college acht de busbaan nuttig en noodzakelijk gelet op enerzijds de groei van het aantal inwoners van de gemeente Lansingerland en anderzijds de toename van het aantal verplaatsingen tussen de gemeenten Rotterdam en Zoetermeer ten behoeve van het woonwerk-verkeer. In dit verband verwijst het college naar de rapportage "Hoogwaardige busverbinding Zoetermeer en Rotterdam", welke inhoudt dat naar verwachting 4.300 passagiers dagelijks gebruik zullen maken van de ZoRo-busbaan.

2.5. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Ingevolge het tweede lid worden terzake van deze activiteiten bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge paragraaf 2.2 van onderdeel C van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 is het maken van een MER verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de aanleg van een vrijliggende busbaan met een tracélengte van 5 kilometer of meer buiten de bebouwde kom in een gevoelig gebied of een bufferzone.

2.6. De Afdeling stelt vast dat het tracé-gedeelte, waarin het plan voorziet, geen deel uitmaakt van een tracé dat een lengte heeft van 5 kilometer of meer buiten de bebouwde kom in een gevoelig gebied of een bufferzone. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen verplichting bestaat tot het opstellen van een MER.

2.7. Voor zover SNV betoogt dat het college gelet op de lopende procedure ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO aan het plan geen goedkeuring had mogen verlenen, overweegt de Afdeling dat de WRO voorziet in afzonderlijke procedures voor enerzijds een zelfstandig project en anderzijds een bestemmingsplan. De WRO noch enig ander wettelijk voorschrift bepaalt dat een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan niet mag worden genomen voordat een zelfstandige projectprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WRO, is afgerond. De lopende procedure ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO stond derhalve niet in de weg aan het nemen van het bestreden besluit.

2.8. In het RR2020 is op pagina 28 onder meer de volgende passage opgenomen:

"De verbinding tussen Zoetermeer en Rotterdam (de ZoRo-lijn) krijgt vooralsnog de vorm van een busverbinding. Vanwege de keuze voor een hoogwaardig glascomplex kan er niet voldoende extra woningbouw langs het tracé plaatsvinden om een raillijn voldoende rendabel te maken. Met het oog op de groei van het Zuidvleugel-netwerk mag dit echter niet onmogelijk worden gemaakt."

De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan in overeenstemming is met het RR2020. In het RR2020 is niet bepaald dat de ZoRo-busbaan het tracé dient te volgen van de beoogde railverbinding tussen Rotterdam en Zoetermeer. Voorts heeft het plan niet tot gevolg dat een railverbinding tussen Rotterdam en Zoetermeer onmogelijk wordt gemaakt. SNV heeft niet aannemelijk gemaakt dat met het voorliggende plan een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, die niet past in het RR2020.

2.9. In de PKB/PMR2006 is als beslissing van wezenlijk belang nr. 25 het volgende bepaald:

"De Schiebroekse en de Zuidpolder zullen worden ingericht als recreatief uitloopgebied en als ecologische verbindingszone tussen de Groenblauwe Slinger en het Rottemerengebied, waarbij de infrastructurele barrières die gevormd worden door de N470, de Hoge Snelheidslijn en de toekomstige busverbinding tussen Rotterdam en Zoetermeer zullen worden ingepast."

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met deze beslissing van wezenlijk belang of dat het plan anderszins de doelstellingen van de PKB/PMR2006 doorkruist. Verder heeft SNV niet aannemelijk gemaakt dat andere gedeelten van de beoogde ZoRo-busbaan op voorhand in de weg staan aan de natuurontwikkeling in het gebied De Vlinderstrik, zoals beoogd in de PKB/PMR 2006.

2.10. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in navolging van de raad op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ZoRo-busbaan noodzakelijk is gelet op enerzijds de groei van het aantal inwoners van de gemeente Lansingerland en anderzijds de toename van het aantal verplaatsingen tussen de gemeenten Rotterdam en Zoetermeer ten behoeve van het woon-werkverkeer. SNV heeft verder niet met concrete feitelijke gegevens onderbouwd dat er grond bestaat voor de vrees dat het in het plan voorziene busstation overlast met zich zal brengen.

2.11. De conclusie is dat hetgeen SNV heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

12-602.