Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200906817/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan de gemeente Arnhem een vergunning verleend voor het kappen van een boom op de Veldbloemenlaan te Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906817/1/H2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juli 2009 in zaak nr. 09/138 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem aan de gemeente Arnhem een vergunning verleend voor het kappen van een boom op de Veldbloemenlaan te Arnhem.

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 november 2008 vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2010, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.J. Kasteel, werkzaam bij de gemeente Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft ter zitting medegedeeld dat hij ernstige bezwaren heeft tegen de vertegenwoordiger van het college en hij heeft de Afdeling verzocht vertegenwoordiging door deze persoon met toepassing van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te weigeren. [appellant] kon redelijkerwijs weten, althans diende er ernstig rekening mee te houden, dat deze vertegenwoordiger namens het college zou optreden, aangezien deze tevens optrad in bezwaar en ter zitting bij de rechtbank en op het verweerschrift stond vermeld als contactpersoon. Hij heeft evenwel niet van tevoren van zijn bezwaren doen blijken. Ook ter zitting heeft hij niet concreet kunnen aangeven waaruit de ernstige bezwaren bestaan. Reeds daarom heeft de Afdeling geen aanleiding gezien om vertegenwoordiging van het college door diens gemachtigde te weigeren.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot verlening van de kapvergunning, omdat hij daarbij geen persoonlijk belang heeft dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. Hiertoe voert hij aan dat hij vanuit de centrale ingang van zijn appartementencomplex zicht had op de boom. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat deze ingang deel uitmaakt van zijn woning, omdat deze vanaf de straat de toegang is tot zijn woning. [appellant] wijst erop dat ook de Belastingdienst voor de berekening van de huurtoeslag de gemeenschappelijke ruimten beschouwt als onderdeel van de woning.

2.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2003 in zaak nr. 200300594/1) dient een appellant om belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te zijn bij een besluit tot verlening van een kapvergunning een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen.

2.4. Het besluit tot verlening van de kapvergunning voorziet in de - al uitgevoerde - kap van één boom. De afstand tussen de woning van [appellant] en de locatie van de boom bedraagt, naar de rechtbank heeft vastgesteld en niet in geschil is, ongeveer 120 meter en vanuit de eigen woonruimte, die zich achter een eigen voordeur op de galerij op de eerste verdieping bevindt, was geen zicht op de boom. Op grond hiervan wordt [appellant] niet geraakt in een belang dat rechtstreeks bij de verlening van de kapvergunning is betrokken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De stelling van [appellant] dat hij vanaf de centrale toegangsdeur van zijn appartementencomplex zicht had op de boom, leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten of deze toegang tot de woning behoort, was dit zicht van dermate geringe betekenis dat hij daardoor niet rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt. Verder leidt de stelling van [appellant] dat het aanvraagformulier niet overeenkomstig de werkelijkheid is ingevuld en dat een ieder de mogelijkheid moet hebben om de onjuiste gang van zaken rond de verlening van de kapvergunning aan te kaarten, er niet toe dat een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit wordt geraakt, omdat hij zich daarmee in onvoldoende mate onderscheidt van anderen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Aan hetgeen hij voor het overige heeft aangevoerd wordt dan ook niet toegekomen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

18-630.