Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
201001129/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers op de locatie Dieverstraat, ter hoogte van huisnummer […], te Den Haag niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2010/17 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001129/2/M1

Datum uitspraak: 18 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers op de locatie Dieverstraat, ter hoogte van huisnummer […], te Den Haag niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen op 24 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2010. Bij brief, bij de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen op 25 januari 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening doorgezonden naar de Raad van State, alwaar het op 29 januari 2010 is ingekomen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 februari 2010, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman en P.F. Kaltner, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. De behandeling van het verzoek is ter zitting geschorst.

Het college en [verzoeker] hebben nadere stukken ingediend.

Op 1 maart 2010 heeft de voorzitter de behandeling van het verzoek ter zitting voortgezet, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door Wijsman en Kaltner, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers is aan te merken als feitelijk handelen en het bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.3. [verzoeker] betoogt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het besluit tot het aanwijzen van locaties voor het plaatsen van ondergrondse containers een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hij stelt dat de gemeente hem niet vooraf heeft geïnformeerd over de keuze van de plaats voor de ondergrondse afvalcontainers. Voorts kan [verzoeker] zich niet verenigen met het besluit tot plaatsing van ondergrondse afvalcontainers ter hoogte van zijn woning op nummer […] in de Dieverstraat te Den Haag. Volgens hem voldoet de locatie van de ondergrondse afvalcontainers niet aan het beleid van de gemeente met betrekking tot de plaatsing van de afvalcontainers, aangezien twee parkeerplaatsen komen te vervallen. Verder vreest hij geur- en geluidoverlast, alsmede visuele overlast en overlast van zwerfvuil te zullen ondervinden. Daarnaast betoogt hij dat een alternatieve locatie op de hoek van de Dieverstraat en de Norgstraat een betere locatie is.

2.3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het plaatsen van ondergrondse containers feitelijk handelen is en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Verder heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat een besluit tot het aanwijzen van locaties voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers moet worden aangemerkt als een besluit van algemene strekking.

2.3.2. Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 1998 van de gemeente Den Haag kunnen burgemeester en wethouders aanwijzen via welk inzamelmiddel of -voorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van een of meer percelen plaatsvindt.

2.3.3. De voorzitter overweegt het volgende met betrekking tot de besluitvorming tot het aanwijzen van de Dieverstraat als locatie voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat eerst een ontwerpplaatsingsplan voor de wijk Morgenstond, waarin de Dieverstraat is gelegen, is gemaakt door Ingenieursbureau Den Haag van de gemeente Den Haag, dienst Stadsbeheer. Het plan heeft van 30 maart 2009 tot en met 13 april 2009 ter inzage gelegen. Tijdens een inloopavond op 14 april 2009 hebben omwonenden hun bezwaren kenbaar kunnen maken. Vervolgens heeft het ingenieursbureau Den Haag het definitieve plaatsingsplan voor de wijk Morgenstond gemaakt, dat op 19 mei 2009 is vastgesteld door het college. Uit de stukken blijkt niet hoe dit besluit is bekendgemaakt.

Gelet op onder meer de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2010, in zaak nr. 200904455/1/M1, 18 november 2009, in zaak nr. 200902104/1/M1, en 15 april 2009, in zaak nr. 200805115/1/M1, inzake besluiten op grond van de plaatselijke Afvalstoffenverordening tot het aanwijzen van locaties voor een ondergrondse afvalcontainer in achtereenvolgens de gemeenten Utrecht, Haarlem en Alkmaar, is de voorzitter voorshands van oordeel dat de vaststelling van het plaatsingsplan door het college op 19 mei 2009, moet worden aangemerkt als primair besluit. Het bezwaarschrift van [verzoeker] was hiertegen gericht.

Naar het oordeel van de voorzitter is het college in het besluit op bezwaar ten onrechte niet ingegaan op de bezwaren van [verzoeker] tegen dit primaire besluit. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb genomen. Nu daarnaast gezien de stukken onduidelijkheid bestaat over de inspraakmogelijkheden en de bekendmaking van het primaire besluit, ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen, aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 23 november 2009, kenmerk B.3.09.1477.001, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 19 mei 2009 voor zover daarbij de locatie Dieverstraat, ter hoogte van huisnummer […], in het definitieve plaatsingsplan voor de wijk Morgenstond is vastgesteld als locatie voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010

191-590.