Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200909762/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van [vergunninghoudster] handelend onder de naam [café] aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909762/2/M2.

Datum uitspraak: 18 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld ten aanzien van [vergunninghoudster] handelend onder de naam [café] aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de gemeente Apeldoorn ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld. De gemeente Apeldoorn heeft het beroep doorgezonden naar de Raad van State.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 maart 2010, waar [verzoeker], in persoon, en bijgestaan door P. Dusselje, en het college, vertegenwoordigd door M. Bomhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 3 juni 2009 heeft [verzoeker] in verband met het veranderen van de horeca-inrichting gevestigd op [locatie] te [plaats] een melding ingediend bij het college. Bij deze melding is een door Alcedo B.V. opgesteld akoestisch rapport van 15 mei 2009 gevoegd. Uit dit rapport blijkt dat de geldende geluidgrenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit door de inrichting worden overschreden. Bij het bestreden besluit zijn in verband hiermee op grond van artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften gesteld, betreffende, voor zover hier van belang, het gebruik van de binnen de inrichting aanwezige muziekinstallatie van een geluidbegrenzer.

2.3. [verzoeker] voert aan dat het college ten onrechte van de toepasselijkheid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit is uitgegaan. Hij acht dat onjuist nu, als gevolg van de omstandigheid dat sinds 90 jaar op het perceel een horeca-inrichting is gevestigd, het overgangsrecht van paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit van toepassing is.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het overgangsrecht niet van toepassing is. Het brengt naar voren dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009 met zaak nr. 200902189/1/M2 volgt, dat artikel 6.12, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit op zodanige wijze dient te worden uitgelegd, dat op grond van dit artikel voor een inrichting alleen hogere geluidgrenswaarden gelden indien en voor zover in een op 1 december 1992 voor deze inrichting geldende vergunning krachtens de Hinderwet of de Wet geluidhindervergunning hogere waarden waren opgenomen. Voor de inrichting was op 1 december 1992 geen vergunning in werking, zodat geen hogere geluidgrenswaarden gelden dan de waarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, aldus het college.

2.3.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.20, vijfde lid, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van paragraaf 6.5, worden de in artikel 2.17, voor zover hier van belang, genoemde waarden met 5 dB(A) verhoogd indien onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17 op grond van voorschrift 1.1.7 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer hogere waarden golden.

Ingevolge voorschrift 1.1.7 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden de geluidwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) met 5 dB(A) verhoogd in gevallen waarin voorschrift 2.2. van bijlage 1 van het Besluit horecabedrijven milieubeheer op de inrichting van toepassing was, tenzij lagere waarden waren vastgelegd in de milieuvergunning die gold op 1 december 1992. In dat geval gelden die lagere waarden.

Ingevolge voorschrift 2.2 van bijlage 1 bij het Besluit horecabedrijven milieubeheer, voor zover hier van belang, mag in afwijking van voorschrift 2.1 voor inrichtingen die reeds zijn opgericht vóór de datum waarop dit besluit op die inrichting van toepassing wordt, het equivalente geluidniveau 55, 50 en 45 dB(A) bedragen, met dien verstande dat indien ten behoeve van die inrichting een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, krachtens de Hinderwet of artikel 12 van de Wet geluidhinder is verleend, het equivalente geluidniveau niet hoger mag zijn dan de waarde die is vastgelegd in die vergunning.

2.3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat op de [locatie] reeds vóór 1 december 1992 een horeca-inrichting was gevestigd en sindsdien in werking is geweest. Voor de inrichting gold op 1 december 1992 geen vergunning als bedoeld in voorschrift 2.2 van bijlage 1 bij het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Derhalve is niet uitgesloten dat destijds grenswaarden voor het equivalente geluidniveau van 55, 50 en 45 dB(A) golden. Dit brengt mee dat het, gelet op voorschrift 1.1.7 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, evenmin is uitgesloten dat onder de gelding van dat Besluit voor de inrichting dezelfde grenswaarden golden. Vervolgens is het evenzeer mogelijk dat op grond van artikel 6.12, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit voor de inrichting geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gelden van 55, 50 en 45 dB(A). Het college is ten onrechte er zonder meer van uitgegaan dat artikel 6.12, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is.

2.3.4. De door het college genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009 leidt niet tot een ander oordeel, nu die uitspraak ziet op een situatie waarbij het ging om een vóór 1 december 1992 opgerichte inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet geluidhinder gold. De Afdeling heeft met betrekking tot die specifieke situatie - kort weergegeven - geoordeeld dat het overgangsrecht van artikel 6.12, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, omdat niet is komen vast te staan dat in de voor de inrichting verleende vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet geluidhinder hogere waarden waren vastgesteld, dan de waarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Uit deze uitspraak volgt niet, zoals het college stelt, dat de Afdeling artikel 6.12, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit zodanig uitlegt dat enkel hogere waarden van toepassing zijn op grond van dit artikel wanneer op 1 december 1992 voor een inrichting een vergunning gold waarin hogere waarden waren vastgesteld. Het beroep van het college op deze uitspraak berust derhalve op een onjuiste lezing.

2.3.5. Gezien het vorenstaande acht de voorzitter het vooralsnog niet uitgesloten dat het overgangsrecht van artikel 6.12, eerste lid, van het Activiteitenbesluit op deze inrichting van toepassing is, zodat voor de inrichting hogere geluidgrenswaarden gelden dan de grenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, die het college bij het nemen van het bestreden besluit bij het stellen van de maatwerkvoorschriften tot uitgangspunt heeft genomen.

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en te meer nu ter zitting is gebleken dat het college onder voorwaarden niet onwelwillend staat tegenover de door [verzoeker] voorgestelde meer structurele en effectievere oplossing voor het reduceren van de geluidbelasting, ziet de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding om, in afwachting van de behandeling van het geschil in de bodemprocedure, het verzoek van [verzoeker] in te willigen. Dit houdt in dat het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 20 oktober 2009, kenmerk 25731, voor zover hierbij de maatwerkvoorschriften 1 tot en met 4 zijn gesteld;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010

375-578.