Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200903781/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft de raad van de gemeente Westland (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Woongebied Polanen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903781/1/R3.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4], beiden wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft de raad van de gemeente Westland (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Woongebied Polanen" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, [appellanten sub 2] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2009, [appellanten sub 3] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2009, en [appellanten sub 4] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 juni 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 4], beiden in persoon, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A.D. Kishoen-Misier en R. Zwagerman, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ’s-Heeren-Loo (hierna: de zorginstelling), vertegenwoordigd door M. Ormeling, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 4] aangevoerd dat voor de gerooide bomen in het plangebied een herplantplicht bestaat waarvoor een plan moet worden gemaakt, dat de Hoevelaan niet berekend is op de toename van het verkeer en dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden met de architect van de bestaande woonbebouwing aan de Hoevelaan. Deze beroepsgronden heeft [appellant sub 4] niet eerder naar voren gebracht. Nu hij dit eerst ter zitting heeft aangevoerd, dienen deze beroepsgronden wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 4] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij dit niet eerder naar voren had gebracht. Voormelde beroepsgronden kunnen derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

2.2. Het plan voorziet in 55 zorgwoningen en 256 marktwoningen op het terrein Westerhonk. Op dit terrein is eveneens een woon- en zorgcentrum van 's Heeren Loo West-Nederland gevestigd waar ondersteuning wordt geboden aan mensen met een verstandelijke en lichamelijke beperking.

2.3. Als procedureel bezwaar voert [appellant sub 4] aan dat het plan niet door de raad had mogen worden vastgesteld, aangezien over de inhoud daarvan nog geen overeenstemming was bereikt tussen de bewoners van de Hoevelaan en de zorginstelling.

Vast staat dat tijdens de vergadering van de commissie Ruimte op 3 februari 2009 de leden van deze Commissie de zorginstelling hebben verzocht in overleg te treden met de bewoners van de Hoevelaan. Dit verzoek noch de uitkomst van voormeld overleg tasten evenwel de bevoegdheid van de raad tot het vaststellen van een bestemmingsplan aan.

2.4. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, aangezien de financiële crisis een daling van de huizenverkoop tot gevolg heeft.

Blijkens de plantoelichting is bij de voorbereiding van het plan onderzoek gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid. Op basis van het stedenbouwkundige plan, dat aan het plan ten grondslag ligt, is een sluitende grondexploitatie opgesteld. De raad en de zorginstelling hebben zich gelet op deze grondexploitatie op het standpunt gesteld dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan afdoende is gewaarborgd. Het aangevoerde geeft geen aanknopingspunt om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de financiële crisis van dien aard is dat de in het plan voorziene woningen niet binnen de planperiode zouden kunnen worden verkocht.

2.5. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen zich op het standpunt dat het plan voorziet in een te groot aantal nieuwe marktwoningen. Daartoe voeren zij aan dat het plan geen goede balans inhoudt tussen bewoners van het woon- en zorgcentrum en bewoners van marktwoningen, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de beschutte en beschermde omgeving voor de bewoners van het woon- en zorgcentrum. [appellant sub 1] voert verder aan dat het voorziene aantal marktwoningen afwijkt van de mededelingen daarover in een verkoopbrochure.

2.5.1. Het plan voorziet in 256 nieuwe marktwoningen. Uit de plantoelichting volgt dat aldus een vervolg wordt gegeven aan het reeds in gang gezette proces van het plaats bieden aan woningbouw voor niet-cliënten op het terrein Westerhonk. Doordat bewoners naast elkaar wonen, leven en gebruik maken van dezelfde voorzieningen, kan volgens de raad de participatie en integratie van bewoners met een verstandelijke en lichamelijke beperking goed verlopen. Dat vanwege de nieuwe marktwoningen geen beschutte en beschermde omgeving voor de bewoners van het woon- en zorgcentrum kan worden gecreëerd, hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] overweegt de Afdeling het volgende. Uit de verkoopbrochure van fase één kan worden afgeleid dat nog circa 100 nieuwe marktwoningen in het plangebied zijn voorzien. Deze verkoopbrochure is evenwel niet afkomstig van de raad, maar van een makelaar en een projectontwikkelaar. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad bij wie de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust, de verwachting is gewekt dat nog slechts circa 100 nieuwe marktwoningen in het plangebied zouden worden gerealiseerd. Bij het ontbreken van een aan de raad toe te rekenen toezegging bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

2.6. [appellant sub 1] voert aan dat het plan leidt tot een toename van de verkeersdruk en daarmee tot verkeersonveiligheid voor de bewoners van het woon- en zorgcentrum.

[appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot een zodanige toename van de verkeersdruk in het plangebied kan leiden dat de verkeersveiligheid voor de bewoners van het woon- en zorgcentrum in de knel kan komen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het plan voorziet in een tweede aansluiting op de Madeweg ten zuiden van het plangebied. Verder kunnen zo nodig verkeersmaatregelen worden getroffen. In de plantoelichting staat dienaangaande vermeld dat de wegen als woonerf zullen worden ingericht.

2.7. [appellant sub 1] voert aan dat in het plan ten onrechte geen aandacht is besteed aan wandelroutes.

Uit de plantoelichting blijkt dat door het plangebied deels de lange afstandswandelroute het Hollands kustpad loopt. Deze wandelroute bestaat uit een samenvoeging van het oude visserspad en het duin- en polderpad. De gronden waarop het desbetreffende gedeelte van het Hollands kustpad betrekking heeft, zijn blijkens de verbeelding en de artikelen 2.1, eerste lid, onder i, 2.5, eerste lid, onder d, 2.6, eerste lid, onder c, en 2.9, eerste lid, onder h, van de planregels onder meer bestemd voor wandelpaden. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het Hollands kustpad als zodanig is bestemd. De raad heeft zich verder, anders dan [appellant sub 1] heeft betoogd, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het onderhavige plan geen regeling behoeft te worden getroffen voor de eventueel aanwezige doorzichten naar de omgeving.

2.8. [appellant sub 1] voert verder aan dat de in het plan opgenomen maximale hoogte van twee meter voor de erfafscheidingen bij woningen zich niet verdraagt met het groene karakter van het woongebied.

De planregels brengen mee dat de maximale hoogte van erfafscheidingen op hoekpercelen op de zijdelingse perceelsgrens één meter en voor de overige erfafscheidingen twee meter bedraagt. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze maximale hoogten redelijk zijn en geen afbreuk doen aan het groene karakter van het woongebied.

2.9. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat ten onrechte een groene verbinding wordt aangetast door de nieuw te bouwen woningen aan de Hoevelaan.

2.9.1. Het plan voorziet in nieuwe woonbebouwing ten westen van de bestaande woonbebouwing aan de Hoevelaan. Deze woonbebouwing zal deels worden gerealiseerd op een schiereiland. Uit de stukken, waaronder sectorkaart 5 "Provinciale ecologische hoofdstructuur (globaal)" van het streekplan "Zuid-Holland West" (hierna: het streekplan), blijkt dat buiten het plangebied, ten noorden van de Hoevelaan, een ecologische verbindingszone ligt die deel uitmaakt van de provinciale ecologische hoofdstructuur. Voor de desbetreffende gronden geldt het bestemmingplan "Westmade". Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat dit bestemmingsplan de ruimte biedt een nadere invulling aan de ecologische verbindingszone te geven. Gezien het voorgaande bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het thans aan de orde zijnde plan geen belemmering vormt voor voormelde ecologische verbindingszone.

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de toegestane bouwhoogte van de nieuw te bouwen woningen aan de Hoevelaan te veel afwijkt van de bestaande woningen en dat zij ten onrechte in hun uitzicht worden beperkt. [appellant sub 2] betoogt verder dat de waarde van zijn huis zal dalen vanwege de nieuw te bouwen woningen op het schiereiland.

2.10.1. De verbeelding kent aan gronden waar de nieuwe woningbouw is voorzien de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximale bouwhoogte 12 meter" toe. De verbeelding kent aan de desbetreffende gronden verder de aanduiding "vrijstaand" voor de nieuw te bouwen woningen op het schiereiland alsmede de aanduidingen "half vrijstaand" en "afstand tot perceelsgrens" voor de overige nieuw te bouwen woningen toe.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor wonen.

Ingevolge het tweede lid, onder b, gelden, voor zover van belang, voor gronden met de bestemming "Wonen" voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

(..)

3. voor vrijstaande en halfvrijstaande woningen geldt een afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal 2,50 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "afstand tot perceelsgrens" een afstand geldt van 3 meter;

4. de goot- en bouwhoogte bedraagt de maximaal op de kaart aangegeven goot- en bouwhoogten;

(..)

2.10.2. De Afdeling stelt voorop dat geen recht op blijvend uitzicht bestaat.

Vast staat dat de bestaande woningen aan de Hoevelaan een bouwhoogte van maximaal 9 meter hebben. De afstand tussen deze woningen en de nieuw te bouwen vrijstaande woningen op het schiereiland bedraagt ten minste 30 meter. De afstand tussen de bestaande woningen aan de Hoevelaan en de overige nieuw te bouwen halfvrijstaande woningen bedraagt ten minste 40 meter. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zullen gelet op de ingevolge artikel 2.8, tweede lid, onder b, sub 3, van de planregels minimaal aan te houden afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen van de nieuw te bouwen woningen geen uitzicht krijgen op aaneengesloten nieuwe woningbouw. De raad heeft verder in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de stedenbouwkundige wens om duidelijk aan te geven dat de Hoevelaan ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen eindigt als ook daar de bebouwing ten opzichte van de omringende woongebieden van de Westlandse Zoom te markeren. [appellant sub 2] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering van zijn woning zodanig zal zijn dat de raad bij afweging van de betrokken belangen hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Gezien het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] geen grond voor het oordeel dat de raad voor de nieuw te bouwen woningen niet in redelijkheid een maximale bouwhoogte van 12 meter heeft kunnen vaststellen.

2.11. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen verder dat de huidige locatie voor de kinderboerderij aan de Hoevelaan moet worden gehandhaafd.

De betrokken kinderboerderij zal vanwege de voorziene nieuwbouw aan de Hoevelaan worden verplaatst naar het plandeel met de bestemming "Groen-Park" ten oosten van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [belanghebbende]. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aldus een meer centrale en beter bereikbare locatie voor de kinderboerderij zal ontstaan en dat dit de ontmoeting tussen bewoners van het woon- en zorgcentrum en de bewoners van de marktwoningen ten goede zal komen. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

399-634.