Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200907616/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de schuur respectievelijk het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907616/1/H1.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Hof van Twente,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 september 2009 in zaak nr. 08/740 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de schuur respectievelijk het perceel).

Bij besluit van 2 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door S. Boonstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De schuur is deels voorzien van een dakopbouw en deels van een plat dak. Het bouwplan voorziet in het ophogen van laatstgenoemd gedeelte van de schuur en het daarop aanbrengen van een dakopbouw, gelijk het overige deel van de schuur.

2.2. Vast staat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de bebouwingsvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" (hierna: het bestemmingsplan). Het ontwerp van dit plan is op 15 maart 2000 (hierna: de peildatum) ter inzage gelegd.

2.3. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan ten behoeve van het overschrijden van de in de voorschriften aangegeven maten, minimale en maximale afmetingen van bebouwing en terreinen met maximaal 10%.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, voor zover hier van belang, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaat dan wel nadien wordt gebouwd of kan worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en dat afwijkt van het bestemmingsplan worden vernieuwd en veranderd met dien verstande dat:

a. de inhoud van een gebouw niet wordt vergroot en het bouwwerk naar zijn aard (meer) in overeenstemming wordt gebracht met het bestemmingsplan;

b. geen andere afwijkingen van het plan ontstaan. Een bouwwerk dat afwijkt van het bestemmingsplan mag na teniet gaan door een calamiteit geheel worden vernieuwd, met in achtneming van het in het eerste lid bepaalde, mits de bouwaanvraag binnen 1,5 jaar na de calamiteit is geschied.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college met betrekking tot de aanvraag om bouwvergunning te verlenen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het in artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde bouwovergangsrecht. Hiertoe voert hij aan dat bij beantwoording van de vraag of met het realiseren van het bouwplan de inhoud van de schuur wordt vergroot niet de inhoud op de peildatum, maar de inhoud van hetgeen eerder is vergund als uitgangspunt genomen moet worden. In dit verband voert hij aan dat een eerder vergunde dakopbouw door een calamiteit teniet is gegaan en door de toenmalige eigenaar niet is vervangen. Het bouwplan strekt er toe de schuur in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Verder is het gebruik van de schuur nooit gestaakt of gewijzigd, aldus [appellant].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 juli 2003 in zaak nr. 200206300/1) is voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht met betrekking tot bouwen de hoedanigheid van een bouwwerk op de peildatum van belang. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank voor de toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften dan ook terecht de inhoud van de schuur op de peildatum als uitgangspunt genomen. Vast staat en niet in geschil is dat de inhoud van de schuur met het realiseren van het bouwplan toeneemt ten opzichte van de inhoud op de peildatum. Het bouwplan is derhalve in strijd met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Hierbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de bouwaanvraag niet binnen 1,5 jaar na de door [appellant] gestelde calamiteit is ingediend. Hieraan doet niet af dat met het bouwplan geen wijziging van het op de peildatum bestaande gebruik is beoogd. Het in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften neergelegde bouwovergangsrecht ziet immers niet op het gebruik van de schuur, maar op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen daarvan. Onder deze omstandigheden, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ook anderszins ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen. Hiertoe voert hij aan dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de mogelijkheid om krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen. Voor zover in het onderhavige geval geen vrijstelling als bedoeld in dat artikel kan worden verleend, betoogt [appellant] dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren voor het bouwplan vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen.

2.5.1. Zoals hiervoor is overwogen, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is ten aanzien van bijgebouwen op het perceel geen maximale inhoudsmaat opgenomen. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, dat een vrijstellingsbevoegdheid bevat voor het overschrijden van maten en afmetingen van bebouwing en terreinen, is derhalve niet op het bouwplan van toepassing. Het college heeft zich in zijn besluit van 2 juni 2008 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor het bouwplan geen vrijstelling als bedoeld in dat artikel kan worden verleend. Verder ligt aan dit besluit ten grondslag dat het gemeentelijk en provinciaal beleid er op is gericht verdere verstening van het buitengebied door uitbreiding van bestaande niet agrarische bebouwing tegen te gaan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat hieronder mede uitbreiding in de hoogte moet worden verstaan. Voorts dient precedentwerking voorkomen te worden. Gelet op deze motivering, heeft het college in redelijkheid kunnen weigeren om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO te verlenen. Onder deze omstandigheden, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college anderszins ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

414-593.