Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200900913/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk PHZ-2008-919360, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) voor zover nodig, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 14 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Krimwijk II" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900913/1/R2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008, kenmerk PHZ-2008-919360, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) voor zover nodig, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Voorschoten (hierna: de raad) bij besluit van 14 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Krimwijk II" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2009, en [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 maart 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2010, waar [appellant sub 1A], in persoon, en [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. R. van Gelder, advocaat te Bleiswijk, en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en Park Allemansgeest C.V., vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden onderzocht of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast dient er op toe te worden gezien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met ten minste 658 woningen in de Zuidhoflandsepolder aan de noordoostzijde van de gemeente Voorschoten.

2.3. Bij uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200705751/1 heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] de goedkeuring van het bestemmingsplan vernietigd voor zover het betreft het noordelijke deel van het plangebied, ter plaatse van een aantal bestaande en een aantal nieuw voorziene woningen aan de Krimkade met bijbehorende ontsluiting. Het plan is voor het overige grotendeels onherroepelijk geworden.

2.4. Bij de uitspraak van 7 mei 2008 heeft de Afdeling omtrent de voorziene ontsluiting van de woningen langs de Krimkade onder meer geoordeeld dat over de aanwezigheid van een erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van [appellant sub 1B] onzekerheid bestaat. Voorts is geoordeeld dat het besluit niet voldoende is gemotiveerd omdat niet gebleken is welke betekenis is toegekend aan de bestaande gecompliceerde privaatrechtelijke situatie ter plaatse. Daarnaast is overwogen dat, onder meer vanwege het ontbreken van een schriftelijk advies van de brandweer, niet aannemelijk is gemaakt dat de woningen in voldoende mate bereikbaar zijn in geval van calamiteiten. Voorts is overwogen dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de bestaande ontsluitingsweg zich bevindt langs de gehele Krimkade, terwijl deze weg wordt onderbroken door de tuin van [appellant sub 1A]. Omtrent het door [appellant sub 1] voorgestelde alternatief is overwogen dat hierover, gelet op de zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken nog geen oordeel kan worden gegeven. In de uitspraak is in dit verband meegegeven dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college bij het bezien van ontsluitingsmogelijkheden niet in redelijkheid zou mogen uitgaan van het uitgangspunt dat de oriƫntatie van de desbetreffende woningen op de Krimkade behouden blijft.

2.5. Bij het bestreden besluit heeft het college alsnog goedkeuring onthouden aan het plandeel dat ziet op de gronden tussen de woning van [appellant sub 1A] en de Krimsloot met de bestemming "Tuin 2" met de nadere aanduiding 'zone erftoegangsweg', omdat op deze plaats feitelijk geen weg aanwezig is en de gemeente niet voornemens is deze gronden aan te kopen.

Het college heeft voor het overige goedkeuring verleend. Het college acht de ontsluiting van de bestaande en voorziene woningen over de Krimkade in ruimtelijk opzicht aanvaardbaar. Hiertoe heeft het onder meer het standpunt ingenomen dat de ontsluiting op de Krimkade gelet op het kleine aantal verkeersbewegingen uit verkeerskundig oogpunt haalbaar is. Voorts blijkt uit nader onderzoek dat de privaatrechtelijke situatie niet in de weg staat aan de gekozen ontsluiting, aldus het college. Hoewel uit dit onderzoek blijkt dat [appellant sub 1B] met juistheid heeft gesteld dat ten behoeve van zijn perceel geen erfdienstbaarheid voor ontsluiting over de percelen [locatie 1] en [locatie 2] bestaat, is wel gebleken van een erfdienstbaarheid ten laste van perceel [locatie 3].

Wat betreft de calamiteitenroutes heeft de brandweer voorts positief geadviseerd over de voorziene ontsluiting. Met betrekking tot het door [appellant sub 1B] voor het overige aangevoerde verwijst het college naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2008.

2.6. [appellant sub 1] kunnen zich niet verenigen met het besluit. Zij voeren aan dat de ontsluiting voor de nieuwe en de bestaande woningen aan de Krimkade ten onrechte nog steeds is voorzien op de bestaande smalle weg langs hun woningen. Volgens [appellant sub 1] dient te worden voorzien in een alternatieve ontsluiting aan de zuidzijde van hun woningen, grenzend aan de nieuwe woonwijk, omdat de bestaande ontsluiting uit verkeerskundig oogpunt hiervoor niet geschikt is. Zij stellen hiertoe dat het betreft een smal en kronkelig weggetje met scherpe bochten waardoor voertuigen elkaar niet eenvoudig kunnen passeren. [appellant sub 1B] wijst er op dat het - nu is gebleken dat een erfdienstbaarheid ten behoeve van zijn perceel ontbreekt - voor hem onmogelijk is van de ontsluiting over de percelen [locatie 2] en [locatie 1] gebruik te maken. Hierdoor dient hij gebruik te maken van de erfdienstbaarheid over perceel [locatie 3], maar hiervoor is de ter plaatse aanwezige brug niet geschikt, aldus [appellant sub 1B]. [appellant sub 1A] stelt dat ten onrechte gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheden die zijn gevestigd ten laste van zijn perceel en dat de brug bij zijn woning evenmin geschikt is voor de ontsluiting van de woningen. [appellant sub 1] stellen verder dat de percelen onvoldoende bereikbaar zijn in geval van calamiteiten.

2.7. De weg langs de Krimkade heeft een landelijk en besloten karakter en wordt gekenmerkt door een slingerend verloop tussen de woningen aan de Krimkade en de Krimsloot. Blijkens de toelichting bij het plan is uitdrukkelijk de keuze gemaakt de oriƫntatie van de woningen langs de Krimkade op de Krimsloot te behouden, zodat deze weg zijn functie en landelijke uitstraling behoudt. De bestaande woningen ontsluiten in de huidige situatie over de betrokken weg. Niet gebleken is dat de weg uit verkeerskundig oogpunt ongeschikt is voor de ontsluiting van deze bestaande en de vier tot vijf voorziene woningen. Het college heeft hierbij betekenis kunnen toekennen aan het feit dat het gaat om een zeer beperkte toename van het aantal vervoersbewegingen en dat, bezien in samenhang met het landelijke en besloten karakter van de weg, geen onoverkomelijke bezwaren aanwezig zijn indien voertuigen in voorkomend geval bij het passeren op elkaar moeten wachten. Hierbij hebben zij tevens kunnen betrekken dat de weg voorheen, behalve ten behoeve van de bestaande woningen, werd gebruikt ten behoeve van de achterliggende tuindersbedrijven en een aantal woonboten.

2.7.1. Omtrent de bereikbaarheid van de woningen aan de Krimkade voor hulpdiensten is op 4 augustus 2008 door de Commandant Brandweer Voorschoten schriftelijk geadviseerd. Volgens het advies wordt in dit specifieke geval - ondanks de eenzijdige ontsluiting - de bereikbaarheid voor de brandweer met de ontsluiting zoals deze thans is voorzien acceptabel geacht.

2.7.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat door Park Allemansgeest C.V. ten behoeve van de bereikbaarheid van calamiteitenverkeer voor de [locatie 1] en [locatie 2] het fietspad gelegen tussen de Krimkade en de Multatulilaan zal worden aangelegd conform de eisen van de brandweer.

Van gemeentewege is voorts ter zitting verklaard dat na aanpassing van de brug ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1B], de woningen aan de [locatie 4] en [locatie 3] voor de brandweer bereikbaar zijn. Voor de overige woningen aan de kant van het perceel van [appellant sub 1A] is door de raad ter zitting gesteld dat na aanpassing van de brug bij het perceel van [appellant sub 1A] de brandweer het gebied vanaf die zijde kan bereiken. Mede gelet op het advies van de brandweer is niet gebleken dat de stelling dat - na aanpassing van de bruggen - alle woningen in het gebied in voldoende mate bereikbaar zijn onjuist is.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontsluiting voor de woningen aan de Krimkade uit verkeerstechnisch oogpunt en wat betreft de mogelijkheden bij calamiteiten niet onaanvaardbaar is.

2.8. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2008 is van gemeentewege nader onderzoek gedaan met betrekking tot de gevestigde erfdienstbaarheden. Hierbij is gesteld dat de percelen [locatie 1] en [locatie 2] kunnen uitwegen op de Professor Boerhaveweg, via het perceel [locatie 1]. [appellant sub 1B], wonend op [locatie 4], alsmede [locatie 3] kunnen uitwegen via de weg en brug ter plaatse van het perceel [locatie 3]. [appellant sub 1A], wonend op [locatie 5], alsmede de woningen op de [locatie 6] tot en met [locatie 7] kunnen uitwegen via de weg en brug ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1A].

[appellant sub 1] hebben het bestaan van deze erfdienstbaarheden niet betwist. De vraag of sprake is van een verzwaring van de last en een meer specifieke vaststelling van de inhoud van deze erfdienstbaarheden is voorbehouden aan de civiele rechter en kan in deze procedure niet aan de orde komen. Van evidente gebreken die aanleiding geven tot het oordeel dat de privaatrechtelijke situatie aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, is niet gebleken. In dit verband is tevens van belang dat de raad ter zitting heeft verklaard dat, indien het private karakter van de weg in de praktijk desondanks aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan, de raad bereid is alsnog tot onteigening van de betrokken gronden over te gaan.

2.8.1. Wat betreft de noodzakelijke aanpassing van de bruggen is ter zitting namens de raad verklaard dat omtrent de vervanging van de brug bij perceel [locatie 3] overeenstemming is bereikt met de eigenaar van perceel [locatie 3]. Ter zitting is voorts verklaard dat de aanpassing van de brug over het perceel van [appellant sub 1A] in financieel opzicht is voorzien en dat hieraan voor [appellant sub 1A] geen kosten zijn verbonden. De brug ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1A] is voorts volgens de raad in mede-eigendom van Park Allemansgeest C.V. Verder heeft Park Allemansgeest C.V. verklaard te zullen wachten met de bouw van de drie nieuwe woningen totdat de brug aangepast is.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is.

2.9. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat een alternatieve ontsluiting nader te onderzoeken.

2.10. [appellant sub 1B] heeft daarnaast aangevoerd dat aan zijn perceel ten onrechte deels de bestemming "Tuinen- T2" toegekend. Hij wenst dat deze bestemming wordt veranderd in een woonbestemming zodat hij de mogelijkheid heeft de bestaande bebouwing op zijn perceel uit te breiden. Tot slot is het volgens [appellant sub 1B] onduidelijk of zijn hobby, het houden van hoenders, op grond van de planvoorschriften is toegestaan.

2.11. De Afdeling verwijst op deze punten naar haar uitspraak van 7 mei 2008, waarbij op deze beroepsgronden reeds is beslist. Van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om thans tot een ander oordeel te komen is niet gebleken.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

317-608.