Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200904084/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2009, no. 1457508, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) bij besluit van 7 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Muntel - De Vliert" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904084/1/R2.

Datum uitspraak: 24 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2009, no. 1457508, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) bij besluit van 7 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Muntel - De Vliert" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2010. De raad is, vertegenwoordigd door A.C.H.M. Habraken, ambtenaar in dienst van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een actuele juridische regeling en heeft een conserverend karakter. Doel van het plan is onder andere handhaving van de woonfunctie binnen de wijken De Muntel en De Vliert.

Het college heeft het plan geheel goedgekeurd.

2.3. [appellanten] betogen dat aan de twee garageboxen aan de [locatie], ook aan te duiden als [locatie], welke functioneel onderdeel uitmaken van hun pand aan de [locatie] (hierna: het perceel), de bestemming "Gemengd (GD)" moet worden toegekend. De garageboxen zijn bij hen in gebruik als werkplaats voor en stalling van motoren en als opslagruimte behorende bij hun winkel. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat het bestaande gebruik niet onder de werking van het overgangsrecht dient te vallen, maar positief bestemd moet worden, nu het volgens hen om legaal gebruik gaat dat voor de terinzagelegging van het ontwerpplan is aangevangen.

2.4. Volgens het commentaar op de bedenkingen van [appellanten] betoogt het college dat de bestemming "Gemengd (GD)" niet passend is voor de garageboxen. Hierbij verwijst het naar het standpunt van de raad dat verdere bedrijfsuitbreiding ongewenst wordt geacht vanwege de ligging van het perceel in een woonomgeving en meer specifiek vanwege de vrees voor geluidsoverlast en een verhoging van de parkeerdruk. Het college stelt dat [appellanten] de garageboxen illegaal in gebruik hebben als ruimte voor bedrijfsactiviteiten, nu deze boxen in 1959 zijn vergund voor de stalling van auto's. Voorts is het gebruik voor bedrijfsactiviteiten in strijd met het vorige bestemmingsplan, waartegen het college van burgemeester en wethouders, zijns inziens, op goede gronden handhavend optreedt.

2.5. Aan het perceel is blijkens de plankaart voor een groot deel de bestemming "Gemengd (GD)" toegekend. Aan de garageboxen is de bestemming "Wonen (W)" met de aanduiding "garage en bergplaats" toegekend.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder 4, van de planvoorschriften mogen ter plaatse van de aanduiding "garage en bergplaats" bouwwerken worden gebouwd, die uitsluitend mogen worden gebruikt voor het stallen van auto's en voor bergruimte.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge het derde lid, onder b, is artikel 16, tweede lid, niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.5.1. Volgens de plantoelichting kent het gebied "De Vliert", waar het perceel en de boxen zijn gelegen, een verouderd bestemmingsplan, namelijk het "Uitbreidingsplan in onderdelen 1934 de Vliert c.a.". In dat plan is aan de gronden, waar de garageboxen zijn gelegen, de bestemming "Open terreinen" toegekend.

2.6. Niet in geschil is dat de garageboxen in 1959 zijn vergund voor de stalling van auto's. Verder is niet in geschil dat het huidige gebruik vóór het van kracht worden van het plan is aangevangen en dat dit gebruik niet in overeenstemming is met de thans toegekende bestemming.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010, zaak nr. 200907266/1/H1, inzake de handhaving van het thans aan de orde zijnde gebruik volgt dat dit gebruik in strijd is met de uit het "Uitbreidingsplan in onderdelen 1934 de Vliert c.a." voortvloeiende bestemming "Open terreinen". In deze uitspraak heeft de Afdeling evenwel voorts geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het gebruik van de garageboxen, nu met dit gebruik ten tijde dat het "Uitbreidingsplan in onderdelen 1934 de Vliert c.a." van kracht was geen algemeen verbindend voorschrift uit de bouwverordening werd overtreden.

Wil de keuze van de raad voor een van het bestaande gebruik afwijkende bestemming in overeenstemming kunnen worden geacht met een goede ruimtelijke ordening zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010 volgt dat het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik. Gelet hierop en ook anderszins is door de raad noch het college aannemelijk gemaakt dat het huidige gebruik binnen de planperiode in overeenstemming zal zijn met de nieuwe bestemming. Door er bij de planvaststelling met de keuze voor de bestemming "Wonen (W)" van uit te gaan dat het huidige gebruik met het treffen van handhavingsmaatregelen binnen de planperiode zal worden beëindigd, is de raad van een onjuist uitgangspunt uitgegaan en is het vaststellingsbesluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

2.6.1. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door de plandelen niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.6.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan de plandelen voor beide garageboxen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 april 2009, no. 1457508, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" voor de garageboxen, nader aan te duiden als [locatie];

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder III. genoemde in de plaats treedt van het besluit van 20 april 2009;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010

371-646.