Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200907547/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 25 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 41a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/3 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907547/2/R1.

Datum uitspraak: 15 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de raad van de gemeente Bernisse,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 25 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben onder meer de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2009, heeft de raad de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2009, hebben [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 24 februari 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Rensen en A. Bosselaar, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, ing. W.H.M. Cornelissen en T.J. van der Veen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het buitengebied van Bernisse.

2.3. [verzoeker sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met het feit dat in het plan aan de gronden in de Beningerwaard en de Buitengorzen Beningerwaard in de nabijheid van hun agrarisch bedrijf de bestemming "Natuurgebied" met de subbestemming "Nr (extensieve dagrecreatie)" is toegekend. Zij verzoeken schorsing van het besluit tot goedkeuring van het plan op dit punt, ten einde te voorkomen dat zij in hun bedrijfsvoering worden beperkt en inwerkingtreding van het plan op dit punt er toe zal leiden dat aan de gronden in de polder Zuidoord op korte termijn een bestemming voor natuurdoeleinden zal worden toegekend.

2.3.1. Het standpunt van [verzoeker sub 2] en anderen dat schorsing van het bestreden besluit op dit punt nodig is om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, deelt de voorzitter niet.

Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat ter zitting namens de raad is verklaard dat de gronden in de Buitengorzen Beningerwaard nog niet allemaal zijn verworven, dat de Beningerwaard en de Buitengorzen Beningerwaard niet los van elkaar zullen worden ingericht als natuurgebied en dat geen aanvang met de inrichting als natuurgebied ter plaatse zal worden genomen, voordat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de bodemprocedure. Voor zover [verzoeker sub 2] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat inmiddels een sloopvergunning is aangevraagd voor een in het gebied gelegen boerderij, overweegt de voorzitter dat een eventuele schorsing van het plan geen grond vormt voor het weigeren van een sloopvergunning.

Met betrekking tot de stelling van [verzoeker sub 2] en anderen dat inmiddels al wordt vooruitgelopen op de toegekende bestemming, aangezien de dijken in de Beningerwaard niet zijn meegenomen in het recent door het waterschap Hollandse Delta gehouden onderzoek naar de dijksterkte, heeft de raad ter zitting verklaard dat deze dijken voldoen aan de eisen en derhalve om die reden niet zijn meegenomen in het onderzoek. Voor zover [verzoeker sub 2] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat de gronden in de Beningerwaard niet langer voor agrarische doeleinden worden uitgegeven, overweegt de voorzitter dat zij niet gebaat zijn bij een voorlopige voorziening op dit punt, nu hiermee dit uitgiftebeleid niet teniet wordt gedaan en bovendien niet is gebleken dat [verzoeker sub 2] en anderen voornemens zijn gronden ter plaatse te pachten.

2.3.2. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de vereiste spoed voor het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen komt hierom niet voor inwilliging in aanmerking.

2.4. De raad stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 21, tweede lid, onder c en d, en het zevende lid, derde en vierde gedachtestreepje van de planvoorschriften, voor zover het betreft de zinsnede "en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²".

De raad voert aan dat aan de desbetreffende bepalingen het door de raad in nauwe samenspraak met het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam ontwikkelde beleid ten grondslag ligt dat inhoudt dat voor gebieden, die gekenmerkt worden door een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde een ondergrens van 200 m² kan worden gehanteerd. Door de onthouding van goedkeuring in de desbetreffende gebieden gaan voor kleine en weinig ingrijpende bouwwerkzaamheden en werkzaamheden onevenredige beperkingen gelden. Voorts voert de raad aan dat de onthouding van goedkeuring zich niet verdraagt met artikel 41a van de Monumentenwet 1988 en de daarbij behorende beleidsvrijheid van de raad.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voormelde onthouding van goedkeuring noodzakelijk is om te voorkomen dat archeologische resten in de bodem worden verstoord en kleine archeologische vindplaatsen ongezien verloren gaan. Hiertoe voert het college aan dat aan de door de raad gehanteerde oppervlaktemaat van meer dan 200 m² ontoereikend onderzoek ten grondslag ligt en dat met name het aantal onderzoeksgegevens in relatie tot de omvang van het plangebied gering is.

2.4.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die vallen binnen de gebieden A, B, C, D, of E, zoals aangegeven op kaartblad 6, naast de overige op de kaart aan deze gronden gegeven bestemmingen, eveneens bestemd voor het behoud van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische waarden of de naar verwachting aan te treffen archeologische waarden. De desbetreffende gebieden hebben elk een eigen beschermingsregime.

Ingevolge artikel 21, tweede lid, voor zover hier van belang, is op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bebouwing toegestaan, voor zover geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen: heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan:

- voor gebied C: 0,8 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

- voor gebied D: 0,4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m².

Ingevolge artikel 21, zevende lid, aanhef en derde en vierde gedachtestreepje, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren, indien zij dieper reiken dan:

- voor gebied C: 0,8 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²;

- voor gebied D: 0,4 m beneden het maaiveld en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m².

2.4.2.1. Ingevolge artikel 41a van de Monumentenwet 1988 zijn de artikelen 39, 40 en 41 niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m²; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

2.4.3. De voorzitter stelt vast dat de raad, zich baserend op de bevindingen van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam, en het college, zich baserend op de bevindingen van de provinciaal archeoloog, verdeeld zijn over het antwoord op de vraag of de aan de betrokken planvoorschriften ten grondslag liggende gegevens toereikend zijn om de in de voorschriften opgenomen, van de Monumentenwet 1998 afwijkende, oppervlaktemaat te kunnen rechtvaardigen. Deze schorsingsprocedure leent zich niet voor een inhoudelijk oordeel over het antwoord op deze vraag.

De voorzitter stelt voorts vast dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring de in voormelde voorschriften gestelde eisen nu gelden zonder enige oppervlaktemaat. Dit brengt met zich dat in bijvoorbeeld gebied C als bedoeld in het plan iedere bebouwing die dieper reikt dan 0,8 meter, ongeacht de oppervlakte, is uitgesloten en dat voor zeer kleinschalige werken en werkzaamheden een aanlegvergunningplicht geldt. Ter zitting heeft het college aangegeven dat bij de onthouding van goedkeuring geen toepassing is gegeven aan artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening omdat onvoldoende duidelijk zou zijn welke oppervlaktemaat wel passend is. De in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 genoemde 100 m² geldt hierbij volgens het college wel als ondergrens. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding de bestreden onthouding van goedkeuring te schorsen en de voorlopige voorziening te treffen dat artikel 21, tweede lid, onder c en d, en het zevende lid, derde en vierde gedachtestreepje, van de voorschriften van het plan, voor zover het betreft de zinsnede "en een oppervlak beslaan van meer dan 200 m²" moeten worden geacht te zijn goedgekeurd tot aan een oppervlak van maximaal 100 m².

Het verzoek van de raad komt in zoverre voor inwilliging in aanmerking.

2.4.4. Voor zover de raad ter zitting heeft aangevoerd dat aan meer gronden op kaartblad 6 de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied C" en "Archeologisch waardevol gebied D" is toegekend dan waartoe de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur verplicht en derhalve voor deze gebieden geen archeologisch onderzoek vereist is, overweegt de voorzitter dat deze stelling zich niet verdraagt met het feit dat de raad deze gronden zelf beschermingswaardig acht door daaraan de voornoemde medebestemmingen te hebben toegekend. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter voor een verdergaande voorziening dan in overweging 2.4.3. genoemd geen aanleiding.

Het verzoek van de raad moet voor het overige dan ook worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [verzoeker sub 2] en anderen geen aanleiding.

Wat betreft de raad is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-452807, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan artikel 21, tweede lid, onder c en d, en het zevende lid, derde en vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften;

II. treft de voorlopige voorziening dat de onder I. genoemde planonderdelen moeten worden geacht te zijn goedgekeurd tot aan een oppervlak van maximaal 100 m²;

III. wijst het verzoek van de raad voor het overige en het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen geheel af;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de raad van de gemeente Bernisse het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2010

466.