Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL8651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
200908862/1/R3 en 200908862/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Tinnegietersweg-Moeselschansweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908862/1/R3 en 200908862/2/R3.

Datum uitspraak: 15 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Tinnegietersweg-Moeselschansweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2009, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2010, waar [appellanten] vertegenwoordigd door dr. W. Deijsselberg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans en ing. M.W. Arts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen, een aan de Tinnegietersweg en een aan de Moeselschansweg, nabij het pand [locatie 1].

2.3. [appellanten], allen omwonenden van het plangebied, stellen dat het plan in strijd is met het rijksbeleid dat verwoord is in de Nota Ruimte en met het provinciaal beleid zoals verwoord in het provinciaal omgevingsplan en met het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de gemeentelijke structuurvisie, het vigerend bestemmingsplan en de "Nota het realiseren van woningbouw op open plekken tussen bestaande bebouwing binnen stedelijk gebied". In dat verband wijzen zij erop dat eerdere woningbouwplannen op deze locatie door het gemeentebestuur zijn afgewezen en dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom thans wel medewerking wordt verleend.

Voorts voeren [appellanten] aan dat woningbouw zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de karakteristiek van de omgeving en van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Volgens [appellanten] voorziet het plan in een hogere goot- en bouwhoogte dan de omringende woningen, waardoor de bebouwing zal detoneren in het straatbeeld. Voorts vrezen [appellanten] dat het plan leidt tot een aantasting van de zichtlijnen, een aantasting van de privacy, tot een vermindering van de gebruiksmogelijkheden van het pand [locatie 1] en tot waardevermindering van hun woningen.

2.4. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het rijks- en provinciaal beleid dat ten aanzien van verstedelijking aangeeft dat verdichting van bestaand stedelijk gebied de voorkeur heeft boven verstedelijking buiten het bestaande stedelijke gebied. Het plangebied maakt deel uit van de wijk Graswinkel die onderdeel is van het bestaande stedelijke gebied van Weert. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter terecht gesteld dat het plan niet in strijd is met het rijks- en provinciaal beleid. Dat in dit beleid, zoals [appellanten] aanvoeren, ook aandacht wordt gevraagd voor het belang van het behoud van groenstructuren in bestaand stedelijk gebied, betekent niet dat de raad bij de afweging van de belangen onvoldoende rekening heeft gehouden met het provinciaal en rijksbeleid.

2.5. In de structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 maart 2009, is vermeld dat op de desbetreffende percelen woningbouw zal plaatsvinden. De raad heeft dan ook terecht gesteld dat het plan niet in strijd is met de structuurvisie.

2.6. Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat het raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij thans anders dan in het verleden woningbouw ter plaatse aanvaardbaar acht wordt het volgende overwogen.

Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2001 een verzoek om medewerking aan de bouw van woningen op deze locatie afgewezen. Voorts staat vast dat het recent vastgestelde bestemmingsplan "Weert-Noord, Graswinkel en 1e partiƫle herziening Bedrijventerreinen Oost en West" niet voorziet in de bouw van de woningen. Aan de gronden is in dat plan de bestemming "Wonen" toegekend zonder bouwvlak.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat het gemeentelijk woningbouwbeleid na 2001 is gewijzigd en is neergelegd in de "Nota het realiseren van woningbouw op open plekken tussen bestaande bebouwing binnen stedelijk gebied". Met dit beleid is aangegeven dat het benutten van locaties binnen het stedelijk gebied de voorkeur heeft boven het aanwenden van nieuwe woningbouwlocaties buiten het stedelijk gebied.

Voorts blijkt uit de plantoelichting dat ten tijde van de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan de woningbouwplannen nog niet voldoende concreet waren om bouwtitels in dat plan op te nemen.

De voorzitter overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de raad, anders dan [appellanten] stellen, gemotiveerd waarom de raad thans een ander planologisch beleid voert.

2.7. Het plan voorziet in de bouw van een woning aan de Tinnegietersweg op een open plek tussen de woningen [locatie 1] en [locatie 2] en in de bouw van een woning aan de Moeselschansweg op een perceel aansluitend aan het perceel met de woning [locatie 3]. De bouw van de woningen zal leiden tot een verdere verdichting van de bebouwing in het gebied dat omsloten wordt door de Tinnegietersweg, de Veldbeemd en de Moeselschansweg. De voorzitter acht het standpunt van de raad dat de woningbouw niet leidt tot een ernstige aantasting van de openheid ter plaatse niet onredelijk. Hij neemt daarbij in aanmerking dat aannemelijk is dat de openheid vooral beleefd wordt vanaf de onbebouwde gronden ten westen van het pand [locatie 1], welke gronden niet in dit plan betrokken zijn.

2.8. Het pand [locatie 1] is een voormalige boerderij. De gronden waarop de woningen zijn gepland behoorden oorspronkelijk bij deze boerderij en maken derhalve onderdeel uit van de voormalige agrarische structuur ter plaatse. De bouw van de woningen zal de herkenbaarheid van deze structuur aantasten en zal afbreuk doen aan de vrije ligging en herkenbaarheid van de boerderij. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningbouw niet zal leiden tot een zodanig ernstige aantasting van het karakter van de omgeving en de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden dat daaraan doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. De voorzitter betrekt daarbij dat het zicht op de boerderij vanuit de westzijde onveranderd blijft en dat de bouw van de woning aan de Moeselschansweg slechts leidt tot een verminderd zicht op de achterzijde van de boerderij. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat twee in de nabijheid van het plangebied voorkomende bomen geen belemmering vormen voor de verwezenlijking van het bouwplan en dat deze derhalve daarvoor niet gekapt hoeven te worden.

2.9. Het betoog van [appellanten] dat het plan in strijd is met de "Nota het realiseren van woningbouw op open plekken tussen bestaande bebouwing binnen stedelijk gebied", omdat realisering van het plan leidt tot een ernstige aantasting van het karakter van de omgeving en van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, faalt gelet op het in 2.7 en 2.8 overwogene.

2.10. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2., onder f, van de planregels mag de goot- respectievelijk de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan 6 respectievelijk 9 meter. Met deze goot- en bouwhoogte heeft de raad aangesloten bij de planregeling voor onder meer de woningen van [appellanten] aan de Veldbeemd. Gelet hierop acht de voorzitter het standpunt van de raad dat de bouwmogelijkheden die het plan biedt geen afbreuk zullen doen aan het straatbeeld, niet onredelijk.

2.11. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de gronden bij het pand [locatie 1] als paardenwei door het plan zal worden belemmerd.

Ten aanzien van de gestelde aantasting van de privacy wordt overwogen dat de woningen zodanig zijn gesitueerd ten opzichte van de bestaande woningen dat voor een onaanvaardbare aantasting van de privacy niet hoeft te worden gevreesd. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de door [appellanten] gestelde waardevermindering van hun woningen zodanig zal zijn dat de raad hieraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.12. Gezien het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met de realisering van de woningen dan aan de belangen van [appellanten] bij handhaving van de huidige situatie.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.14. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2010

388.