Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200907487/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [wederpartij] een boete van € 88.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907487/1/V6.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 augustus 2009 in zaak nr. 08/741 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [wederpartij] een boete van € 88.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 23 mei 2008 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 augustus 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 mei 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 oktober 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.W. Stiekema, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning beschikt.

Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de terzake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 25 september 2007 (hierna: het boeterapport) houdt in dat de inspecteurs bij een controle op 1 maart 2006 hebben waargenomen dat [vreemdeling A] en [vreemdeling B], beiden van Litouwse nationaliteit, arbeid verrichtten in een woning, eigendom van [wederpartij], aan het [locatie 1] te [plaats], bestaande uit het opruimen van bouwmaterialen en gereedschappen en het schoonmaken van de woning. Voor deze arbeid waren geen tewerkstellingsvergunningen verleend. Beide vreemdelingen verrichtten arbeid via aanneming van werk door [belanghebbende], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Rotterdam.

Daarnaast is volgens het boeterapport uit een administratieve controle gebleken dat in de periode van 21 november 2005 tot en met 26 februari 2006, dan wel gedeelten van die periode, in een pand aan de [locatie 2] te [plaats] [vreemdeling A], [vreemdeling C] en [vreemdeling D], allen van Litouwse nationaliteit, en in twee panden aan de [locatie 3] te [plaats] [vreemdeling A], [vreemdeling B], [vreemdeling E], [vreemdeling F], [vreemdeling G], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K], allen van Litouwse nationaliteit, arbeid hebben verricht, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend. Deze panden in Hendrik-Ido-Ambacht en Ridderkerk zijn eveneens eigendom van [wederpartij]. Genoemde vreemdelingen hebben de werkzaamheden aan die panden in opdracht van [belanghebbende] verricht, aldus het boeterapport.

2.3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de minister zich ten aanzien van de door [vreemdeling A] en [vreemdeling B] op 1 maart 2006 in het pand [locatie 1] te [plaats] verrichte arbeid terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden.

2.4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat, naast [vreemdeling A] en [vreemdeling B] in het pand aan het [locatie 1] te [plaats], nog negen vreemdelingen arbeid hebben verricht in de panden van [wederpartij] aan de [locatie 2] te [plaats] en de [locatie 3] te [plaats]. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat de bij het boeterapport gevoegde urenstaten en facturen uit de administratie van [belanghebbende] en de verklaringen van [belanghebbende] en [vertegenwoordiger] van [wederpartij], daarvoor voldoende bewijs vormen.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat ervoor is gekozen om ten aanzien van [vreemdeling A en [vreemdeling B], die blijkens het boeterapport op meer dan één locatie hebben gewerkt, wat als op zichzelf staande overtredingen kan worden aangemerkt, slechts één boete per vreemdeling op te leggen.

Gelet op het in 2.2. en 2.3. overwogene, spitst het geschil zich toe op de vraag, of is komen vast te staan dat in de periode van 21 november 2005 tot en met 26 februari 2006, dan wel gedeelten van die periode, [vreemdeling C] en [vreemdeling D] onderscheidenlijk [vreemdeling E], [vreemdeling F], [vreemdeling G], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K] in de panden van [wederpartij] in Hendrik-Ido-Ambacht en Ridderkerk arbeid hebben verricht, zonder dat werd beschikt over tewerkstellingsvergunningen.

2.4.1. De minister heeft zijn standpunt dat [vreemdeling C] en [vreemdeling D] in het pand aan de [locatie 2] te [plaats] arbeid hebben verricht gebaseerd op bij het boeterapport gevoegde urenstaten, facturen aan [wederpartij] van 10 november en 23 december 2005 en de verklaring van [vertegenwoordiger] van 4 september 2007.

[wederpartij] heeft niet betwist dat de door de minister aan zijn standpunt ten grondslag gelegde urenstaten, waarop de plaatsnaam is vermeld waar de betrokken vreemdelingen hebben gewerkt, betrekking hebben op de werkzaamheden in het pand van [wederpartij] aan de [locatie 2] te [plaats]. Uit deze urenstaten kan worden afgeleid dat [vreemdeling C] - in de periode van 21 november tot en met 17 december 2005 - en [vreemdeling D] - in de periode van 12 tot en met 18 december 2005 - in dat pand werkzaam zijn geweest. Voorts staat op de facturen aan [wederpartij] van 10 november en 23 december 2005 "Betreft: Werk van [locatie 2]", waarbij op het briefpapier van laatstgenoemde factuur onder anderen de namen "[vreemdeling C]" en "[vreemdeling D]" zijn vermeld. [vertegenwoordiger] heeft tegenover de inspecteurs verklaard dat hij niet op de hoogte was van het aantal vreemdelingen dat in het pand aan de [locatie 2] te [plaats] heeft gewerkt en hij, toen hij daar ter plaatse was, één Litouwse vreemdeling aan het werk heeft gezien. Die verklaring sluit niet uit dat op die locatie meer vreemdelingen werkzaamheden hebben verricht. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat [vreemdeling C] en [vreemdeling D] in het pand van [wederpartij] in Hendrik-Ido-Ambacht arbeid hebben verricht. Beide vreemdelingen hebben in de betrokken perioden ten dienste van [wederpartij] arbeid verricht, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] ten aanzien van deze vreemdelingen als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken.

Het betoog slaagt in zoverre.

2.4.2. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat door [vreemdeling E], [vreemdeling F], [vreemdeling G], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K] in de panden [locatie 3] te [plaats] arbeid is verricht zonder tewerkstellingsvergunningen, wordt het volgende overwogen.

In het bij het boeterapport behorende op ambtseed opgemaakte rapport van horen van 27 juli 2007 is vermeld dat [belanghebbende] op de door de inspecteurs gestelde vragen: 'Wij tonen u een kopie van een bladzijde uit een schrift uit de in uw woning in beslaggenomen administratie. Op deze pagina staat 'Ost Kapelijo' met daarbij namen en bedragen, wat kunt u hierover verklaren? Zijn de andere namen op die bladzijde werkzaam geweest op het project in Ridderkerk?', voor zover thans van belang, het volgende heeft geantwoord:

"Ja, [vreemdeling I], [vreemdeling G], [vreemdeling A], [vreemdeling J], [vreemdeling H], [vreemdeling F] en [vreemdeling K] hebben daar gewerkt. Project Ridderkerk betreft twee woonhuizen in Ridderkerk op het adres Ringdijk. Ik wil nog een toelichting geven op de namen vermeld op de diverse urenlijsten; [naam A] staat voor [vreemdeling B], [naam B] staat voor [vreemdeling E], [naam C] staat voor [vreemdeling H], [naam D] is ook [vreemdeling H], (…). Ik merk nog op dat [vreemdeling H] en [vreemdeling F] altijd samen werkten."

Voorts heeft [vertegenwoordiger] volgens het verslag van horen van 4 september 2007 op de door de inspecteurs gestelde vraag wat hij kan verklaren over het feit dat in de periode van 16 januari 2006 tot en met 26 februari 2006 of gedeelten van deze periode, de vreemdelingen [vreemdeling E], [vreemdeling F], [vreemdeling G], [vreemdeling A], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J], [vreemdeling B] en [vreemdeling K] in de panden aan de [locatie 3] te [plaats] arbeid hebben verricht, geantwoord dat hij van [belanghebbende] een overzicht heeft ontvangen met daarop zes namen van vreemdelingen die op die locatie arbeid hebben verricht. Dit overzicht is door [vertegenwoordiger] aan de inspecteurs overhandigd.

Op het door [vertegenwoordiger] overgelegde "Overzicht arbeidskosten [locatie 3]", dat als bijlage bij het boeterapport is gevoegd, zijn de namen [naam E], [naam F], [naam G], [naam D], [naam H] en [naam I] vermeld.

2.4.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat [vreemdeling D] en [vreemdeling E] in de panden van [wederpartij] in Ridderkerk arbeid hebben verricht. Hoewel [belanghebbende] heeft verklaard dat [vreemdeling G] daar heeft gewerkt en de naam van deze vreemdeling voorkomt in een notitie en op urenstaten afkomstig uit de administratie van [belanghebbende], vindt het standpunt van de minister ten aanzien van de door deze vreemdeling verrichte arbeid geen steun in de verklaring van [vertegenwoordiger] en het in dat kader door hem overgelegde overzicht arbeidskosten. Dat [vreemdeling E] in de panden [locatie 3] te [plaats] arbeid heeft verricht vindt evenmin steun in de verklaring van [vertegenwoordiger] en het overzicht arbeidskosten. Ook overigens blijkt uit de bij het boeterapport gevoegde stukken niet dat deze vreemdeling daar werkzaam is geweest.

Het betoog faalt in zoverre.

2.4.4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, biedt het boeterapport voldoende grondslag voor het standpunt van de minister, dat in de periode van 16 januari tot en met 26 februari 2006 [vreemdeling F], [vreemdeling G], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K] in de panden [locatie 3] te [plaats] arbeid hebben verricht. Dit is reeds met de verklaringen van [belanghebbende] en [vertegenwoordiger], de notitie uit de administratie van [belanghebbende] en het door [vertegenwoordiger] overgelegde overzicht arbeidskosten, in onderlinge samenhang bezien, voldoende komen vast te staan. Genoemde vreemdelingen hebben in die periode ten dienste van [wederpartij] arbeid verricht, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat [wederpartij] ten aanzien van die vreemdelingen als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken.

Het betoog slaagt in zoverre.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep gericht tegen de bij besluit van 23 mei 2008 gehandhaafde boete wegens tewerkstellingen van [vreemdeling C], [vreemdeling D], [vreemdeling F], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K] (hierna: de vreemdelingen) gegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling in zoverre het besluit van 23 mei 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. [wederpartij] betoogt dat de minister in de door haar aangevoerde omstandigheden ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de boete te matigen. Volgens [wederpartij] heeft zij niet verwijtbaar gehandeld, omdat haar vooraf zowel door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) als de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) was medegedeeld dat, indien de vreemdelingen als zelfstandigen waren ingeschreven, de werkzaamheden zonder tewerkstellingsvergunningen mochten worden verricht. Vervolgens is haar door de Kamer van Koophandel bevestigd dat de vreemdelingen als zelfstandigen waren ingeschreven en heeft [belanghebbende] haar desgevraagd meegedeeld dat zij de werkzaamheden als zelfstandigen zouden verrichten. Zij mocht er daarom op vertrouwen dat aan de uitvoering van de opdracht door [belanghebbende] geen risico's waren verbonden, aldus [wederpartij]. In dit verband verwijst [wederpartij] naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 maart 2008 in zaak nr. Awb 06/3231.

Voorts betoogt [wederpartij] dat de boeteoplegging tot betalingsproblemen zal leiden, waardoor een faillissement van haar onderneming niet is uitgesloten.

2.6.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr. 200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr. 200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200900632/1/V6">200900632/1/V6</a>) vloeit het volgende voort.

De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenormbedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boetenormbedragen eveneens als uitgangspunt.

2.6.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 maart 2008 heeft overwogen, wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.6.3. Het betoog van [wederpartij] dat zij, gelet op de mededelingen van de IND en de CWI, erop mocht vertrouwen dat voor de door de vreemdelingen verrichte arbeid geen tewerkstellingvergunningen waren vereist, faalt. [wederpartij] heeft de gestelde mededelingen van de IND en de CWI niet aannemelijk gemaakt. Voorts is inschrijving in het handelsregister niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag, of in de specifieke situatie de arbeid door de betrokken vreemdeling als zelfstandige wordt verricht. Dat [wederpartij] zich ervan heeft vergewist dat de vreemdelingen als zelfstandigen stonden ingeschreven in het handelsregister, vormt, zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704914/1), op zich geen omstandigheid die noopt tot matiging van de boete. Dat [wederpartij] bij [belanghebbende] navraag heeft gedaan over de vorm van zijn arbeidsverhouding met de vreemdelingen, baat [wederpartij] evenmin. Het had op haar weg gelegen na te gaan of de werkzaamheden door de vreemdelingen in dit geval daadwerkelijk als zelfstandigen werden verricht, hetgeen zij heeft nagelaten. Dat [wederpartij] dit, naar gesteld, niet kon verifiëren, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de door [wederpartij] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Alkmaar kan niet tot het ermee beoogde resultaat leiden. Deze uitspraak is bij uitspraak van de Afdeling van 19 november 2009 in zaak nr. 200802883/1 vernietigd. Voorts heeft [wederpartij] haar gestelde slechte financiële situatie niet met bewijsstukken gestaafd.

De minister heeft in de door [wederpartij] naar voren gebrachte omstandigheden dan ook terecht geen aanleiding gezien het boetebedrag te matigen.

Het betoog faalt.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.8. Het beroep van [wederpartij] is in zoverre ongegrond.

2.9. Nu uit het hiervoor in 2.4.3. overwogene volgt dat de boete ten aanzien van [vreemdeling G] en [vreemdeling E] ten onrechte is opgelegd, ziet de Afdeling aanleiding om in het belang van een effectieve rechtsbescherming en uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in zoverre op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.10. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 augustus 2009 in zaak nr. 08/741, voor zover de rechtbank daarbij het beroep gericht tegen de jegens [wederpartij] bij besluit van 23 mei 2008, kenmerk AI/JZ/2007/41807/BOB, gehandhaafde boete wegens ten aanzien van [vreemdeling C], [vreemdeling D], [vreemdeling F], [vreemdeling H], [vreemdeling I], [vreemdeling J] en [vreemdeling K] geconstateerde overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav gegrond heeft verklaard en in zoverre dat besluit heeft vernietigd;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

IV. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 november 2007, kenmerk 070703709/03, voor zover daarbij aan [wederpartij] voor de tewerkstelling van [vreemdeling E] en [vreemdeling G] een boete is opgelegd van € 16.000,00;

V. bepaalt dat het totale boetebedrag wordt vastgesteld op € 72.000,00 (zegge: tweeënzeventigduizend euro);

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit voor zover de vernietiging van dat besluit in stand blijft;

VII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

363-550.