Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200903344/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2009, kenmerk 2008-022217, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arnhem (hierna: de raad) bij besluit van 24 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Presikhaaf 2" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903344/1/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2009, kenmerk 2008-022217, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arnhem (hierna: de raad) bij besluit van 24 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Presikhaaf 2" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juni 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft namens de raad nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door B. Lagerberg en mr. G. Paling, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Ordening (hierna: de WRO), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van de wijk Presikhaaf 2.

2.3. [appellant] kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-1" voor het perceel aan de [locatie]. Hij voert hiertoe aan dat het begrip ‘autoservicestation’ ten onrechte niet is gedefinieerd in het plan. Daardoor is het onduidelijk of zijn bedrijfsactiviteiten in het plan als zodanig zijn bestemd. Bij het omschrijven van het bedrijf had, volgens [appellant], aansluiting moeten worden gezocht bij de VNG-brochure.

Voorts is in artikel 2.7., tweede lid, onder a, van de planvoorschriften de oppervlakte van het bedrijf beperkt tot 155 m², waardoor de wasstraat niet positief bestemd lijkt te zijn. Overigens heeft het bouwvlak op de plankaart een grotere oppervlakte dan 155 m² zodat de wasstraat wellicht toch positief is bestemd, aldus [appellant].

2.4. Het college acht het ontbreken van een definitiebepaling van het begrip 'autoservicestation' niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening nu het begrip in het dagelijks spraakgebruik voldoende is bepaald. Ten aanzien van de wasstraat merkt het college op dat de wasstraat nooit als zodanig is bestemd en dat ook uit de bouwtekeningen niet blijkt dat ter plaatse een wasstraat aanwezig is geweest.

2.5. Het perceel [locatie] heeft de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-1".

Ingevolge artikel 2.7., eerste lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Verkeer-Verblijfsgebied" aangewezen gronden onder andere bestemd voor een autoservicestation op de gronden aangeduid als "specifieke vorm van bedrijf - 1".

Ingevolge artikel 2.7., tweede lid, onder a, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat op de in lid 2.7.1. sub h., bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van deze bestemming mogen worden opgericht met een oppervlak van maximaal 155 m2 en een maximumhoogte van 4,50 meter.

2.5.1. In het plan is het begrip 'autoservicestation' niet gedefinieerd. Voor de uitleg daarvan kan onder die omstandigheden worden aangesloten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven. Ter zitting is van de zijde van [appellant] aangegeven dat het bedrijf zich richt op het "tunen" van dieselmotoren. Zo wordt apparatuur ingebouwd ten behoeve van zuiniger rijden. De aan- en verkoop van auto's dient volgens [appellant] enkel ten behoeve van deze activiteit. Door de raad is ter zitting verklaard dat dit bestaande gebruik in het algemeen spraakgebruik valt onder het begrip 'autoservicestation', zodat dit gebruik onverminderd kan worden voortgezet. De Afdeling acht deze uitleg niet onredelijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen instemmen met het ontbreken van een definitie van het begrip 'autoservicestation'.

2.5.2. Voor zover [appellant] stelt dat op de plankaart de voormalige wasstraat met een oppervlakte van 44 m² wellicht positief is bestemd omdat voor het bedrijf op de plankaart een groter oppervlak dan 155 m2 is ingetekend, mist dit betoog feitelijke grondslag nu ingevolge artikel 2.7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften op gronden met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-1" slechts bouwwerken mogen worden opgericht met een totale oppervlakte van maximaal 155 m².

Ten aanzien van de voormalige wasstraat is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat deze aan twee zijden bestaat uit een muur van ongeveer 1,5 meter hoog. Aan de derde zijde bevindt zich een afsluitbaar hekwerk en de laatste zijde wordt gevormd door de muur van het kantoor met bedrijfsruimte. Voor (de muur van) het bedrijfsgebouw is op 20 februari 1962 een bouwvergunning verleend en voor de scheidingsmuur is op 14 september 1964 een bouwvergunning verleend. Niet gebleken is dat voor de voormalige wasstraat als zodanig een bouwvergunning is verleend. Voorts blijkt uit de stukken dat de desbetreffende gronden niet als wasstraat in gebruik zijn.

Gezien het vorenstaande heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet de totale oppervlakte van de wasstraat in artikel 2.7, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften behoefde te worden meegenomen.

2.5.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met de in artikel 3.4 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie]. [appellant] voert hiertoe aan dat geen concreet zicht op beëindiging van het bedrijf bestaat. Bovendien acht hij de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende door objectieve criteria begrensd en is volgens hem onduidelijk in welke bestemming kan worden gewijzigd.

2.7. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan, voor zover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

2.7.1. Ingevolge artikel 2.7., eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de plankaart als "Verkeer-Verblijfsgebied" aangewezen gronden tevens bestemd voor:

(…)

h. een autoservicestation op de gronden aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf-1'.

Ingevolge artikel 3.4 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO het bestemmingsplan zodanig te wijzigen dat de in artikel 2.7, eerste lid, sub h genoemde doeleinden niet meer zijn toegelaten mits de functie daadwerkelijk is beëindigd.

2.7.2. De omstandigheid dat de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid niet binnen de planperiode is verzekerd, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, aangezien geen rechtsregel vereist dat dit verzekerd dient te zijn. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het college van burgemeester en wethouders niet verplicht maar bevoegd is om de bestemming van bedoelde gronden te wijzigen.

Blijkens de bewoordingen van artikel 3.4 van de planvoorschriften heeft deze wijzigingsbevoegdheid betrekking op het autoservicestation, toegestaan ter plaatse van de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-1'. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat bij het vervallen van de specifieke aanduiding de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" blijft gelden.

De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat het in artikel 3.4 van de planvoorschriften opgenomen criterium 'mits de functie daadwerkelijk is beëindigd' onvoldoende bepaald is, nu gelet op de tekst van het voorschrift duidelijk is dat met de functie wordt bedoeld het exploiteren van het autoservicestation en blijkens hetgeen hiervoor onder 2.5.1. is overwogen de activiteiten van [appellant] daaronder vallen. De Afdeling merkt daarbij op dat de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend van toepassing is op het onderhavige bedrijf.

2.7.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. [appellant] stelt zich verder op het standpunt dat het plan ten onrechte voorziet in een woontoren op de hoek van de IJssellaan en de Slaakweg, alsmede in een woontoren aan de Slaakweg.

Hij stelt dat onvoldoende afstand wordt aangehouden tot zijn bedrijf. De raad heeft niet gemotiveerd waarom ter plaatse van de richtafstanden zoals genoemd in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is afgeweken, aldus [appellant]. Voorts stelt hij dat de woontorens leiden tot een verminderde lichtinval voor het bedrijf, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor het zogenoemde werkgenot. Dat het om een bedrijf gaat en niet om een woning maakt dit volgens [appellant] niet anders. Uit het verrichte bezonningsonderzoek is niet gebleken dat rekening is gehouden met de bij de vaststelling van het plan gewijzigde maximale bouwhoogte.

Tot slot stelt [appellant] dat de woontorens zullen leiden tot een grotere parkeerdruk en dat hiermee in het plan onvoldoende rekening is gehouden. [appellant] wijst er in dit kader op dat de aanduiding ‘parkeergarage’ in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan is vervallen. Voorts vreest [appellant] dat artikel 3.1 van de planvoorschriften afbreuk zal doen aan de parkeerbepaling uit de Bouwverordening.

2.9. Volgens het college kan de directe omgeving rond het bedrijf van [appellant] worden aangemerkt als gemengd gebied zodat op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" een kortere afstand tot dit bedrijf mag worden aangehouden. Uit het uitgevoerde bezonningsonderzoek blijkt dat de schaduwwerking als gevolg van de voorziene woontoren met name optreedt in de ochtenduren en dat dit gelet op het feit dat het om een bedrijf gaat minder bezwaarlijk is dan in het geval van een woning. In de plantoelichting is, aldus het college, aangegeven hoe de parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Tevens is het binnen de bestemming "Wonen" mogelijk om parkeervoorzieningen te realiseren zodat het niet noodzakelijk is de aanduiding 'parkeergarage' op de plankaart op te nemen.

2.10. In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt ten aanzien van bedrijven in de categorie 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie-en servicebedrijven' een afstand van 30 meter aanbevolen. Blijkens de VNG-brochure geldt deze richtafstand indien de omgeving is te kwalificeren als een rustige woonwijk. In het geval dat sprake is van een gemengd gebied mag deze afstand met één afstandsstap worden verlaagd naar tien meter. Volgens de VNG-brochure is sprake van een gemengd gebied indien direct naast woningen ook andere functies als winkels, horeca en andere bedrijvigheid voorkomen. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot dit omgevingstype.

2.10.1. Het plangebied is ingeklemd tussen een spoorlijn en de IJssellaan, welke weg is aan te merken als hoofd-en ontsluitingsweg. Gelet hierop en mede gezien de ligging van het bedrijf van [appellant] in de nabijheid van woningen, heeft de raad het gebied kunnen typeren als een gemengd gebied en kan de aanbevolen afstand van 30 meter worden verlaagd tot 10 meter.

De kortste afstand van de grens van het bouwperceel van [appellant] tot het plandeel met de bestemming "Wonen" bedraagt ongeveer 20 meter.

Gezien het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre voldoende afstand is aangehouden tussen het bedrijf van [appellant] en de in het plan voorziene woontorens.

2.10.2. In het bezonningsonderzoek van augustus 2008 is de schaduwwerking van de voorziene woontoren op de hoek IJssellaan Slaakweg ten opzichte van het bedrijf [appellant] onderzocht. Gezien de ligging van de bouwblokken is in het onderzoek ook rekening gehouden met de gewijzigde vaststelling van het plan voor zover deze wijzigingen van belang zijn voor het onderzoek.

Het onderzoek is uitgevoerd voor de maanden april, juni en september en is beperkt tot de ochtenduren. In de zienswijzennota bij het raadsvoorstel van 23 september 2008 heeft de raad aangegeven dat alleen in de ochtenduren kans is op schaduwwerking gelet op de stand van de zon en de ligging van het bedrijf ten opzichte van de voorziene woontoren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek in zoverre gebreken dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare schaduwwerking.

2.10.3. Ingevolge artikel 2.9., eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn, voor zover van belang, de op de plankaart als "Wonen" aangegeven gronden bestemd voor:

a. het wonen, hieronder niet begrepen bewoning van woonwagens of woonschepen; en daaraan ondergeschikt voor:

- groen- en speelvoorzieningen;

- parkeervoorzieningen ten behoeve van het wonen;

- verblijfsgebieden.

Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften, voor zover van belang, blijven de voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

(…)

e. de parkeergelegenheid en de laad-en losmogelijkheden;

(…)

2.10.4. Gelet op artikel 2.9., eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, staat de bestemming "Wonen" niet aan de ontwikkeling van parkeervoorzieningen, al dan niet in de vorm van een parkeergarage in de weg. In de plantoelichting is ten aanzien van parkeren opgenomen dat het bewonersparkeren langs de IJssellaan wordt opgelost in gemeenschappelijk gebouwde (half)ondergrondse parkeergarages. In het binnenmilieu vindt het bewonersparkeren op eigen terrein (uit het zicht) plaats. Het bezoekersparkeren wordt zoveel mogelijk geconcentreerd in parkeervelden in het midden van enkele verbrede straten. Voor het aantal parkeerplaatsen zijn, aldus de toelichting, de parkeernormen in de door de gemeenteraad vastgestelde Parkeernota Arnhem 2003-2010 toegepast. Voorts volgt uit artikel 3.1 van de planvoorschriften dat ten aanzien van parkeervoorzieningen de voorschriften van de Bouwverordening van toepassing blijven. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan ter plaatse tot parkeeroverlast zal leiden.

2.11. De conclusie is dat hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

425-608.