Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL7827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
17-03-2010
Zaaknummer
200904214/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2009, kenmerk 1465193, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein GDC Noord" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 23K, p. 312 (afl. 2010, 6)
Milieurecht Totaal 2010/2445
ABkort 2010/134
JOM 2010/634
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904214/1/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de staatssecretaris van Defensie,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2009, kenmerk 1465193, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 21 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein GDC Noord" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de staatssecretaris van Defensie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2010, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door D.J.L.J. van Dun, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de verdere ontwikkeling van het noordelijke deel van het bedrijventerrein Goederendistributiecentrum Acht (GDC Noord) dat gelegen is aan de noord-westzijde van de kern van Eindhoven.

De raad heeft bij het vaststellingsbesluit de in het ontwerp van het plan voorziene mogelijkheid tot open opslag van groenafval in de buitenlucht laten vervallen en daarmee deze vorm van opslag van groenafval onder het gebruiksverbod van het plan gebracht. Bij het bestreden besluit heeft het college, voor zover hier van belang, goedkeuring onthouden aan artikel 1, aanhef en onder cc, aanhef en onder het vierde gedachtenstreepje, van de planvoorschriften, waarin de definitiebepaling van groenafval was opgenomen.

2.3. De staatssecretaris betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-2" dat betrekking heeft op de gronden aan de noordzijde van het GDC Noord, nu hierdoor ten opzichte van de voorheen bestaande situatie over een groter grondgebied open opslag van groenafval mogelijk wordt gemaakt. De staatssecretaris stelt in dit verband dat alle organisch afval vogelaantrekkende werking heeft en dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de raad in het vaststellingsbesluit de vogelaantrekkende werking van open opslag van groenafval onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast heeft het college volgens de staatssecretaris niet inzichtelijk gemaakt waarom het meent dat de raad de vogelaantrekkende werking van open opslag van groenafval in de buitenlucht onvoldoende heeft onderzocht en onderbouwd. Hiertoe stelt de staatssecretaris dat het verbieden van open opslag van groenafval geen verdergaande beperking inhoudt ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie, aangezien dit verbod reeds volgt uit de aan [partij] verleende milieuvergunningen. Ook voert de staatssecretaris aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met ten aanzien van vliegvelden geldende internationale verplichtingen en niet heeft geanticipeerd op toekomstige regelgeving die vogelaantrekkende activiteiten aan banden legt. Ten slotte heeft het college ten onrechte het algemeen belang dat is gediend met de vliegveiligheid ondergeschikt gemaakt aan de bedrijfsbelangen van [partij], zo betoogt de staatssecretaris.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad het verbieden van open opslag van groenafval onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college stelt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het bedrijfsbelang van [partij] om de bestaande mogelijkheid het opslagterrein in het betreffende plandeel te gebruiken voor open opslag van groenafval voort te zetten.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend aan het belang en de noodzaak om activiteiten te voorkomen die onaanvaardbare risico's voor de vliegveiligheid met zich brengen. Om alle risico's voor de vliegveiligheid uit te sluiten heeft de raad bij de vaststelling van het plan open opslag van groenafval willen uitsluiten van de gebruiksmogelijkheden door deze opslag als aparte stroom van organisch afval op te nemen in artikel 1, onder cc. Nadien heeft de raad te kennen gegeven nog nader onderzoek nodig te achten. Blijkens de gedingstukken heeft de raad erkend dat de risico's voor de vliegveiligheid bij open opslag van groenafval in de buitenlucht niet duidelijk in kaart zijn gebracht.

Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat in ieder geval de opslag van bepaalde soorten groenafval viel binnen de werking van de aan [partij] verleende milieuvergunning, en deze opslag ook daadwerkelijk plaatsvond en -vindt, heeft het college vanuit een oogpunt van rechtszekerheid niet ten onrechte geoordeeld dat ook met de belangen van [partij] bij een voortzetting van het bestaande gebruik rekening moest worden gehouden. In zoverre slaagt het betoog van de staatssecretaris niet. Dit ligt echter anders voor zover het plan voorziet in een uitbreiding van de omvang van het terrein waarop de opslag van groenafval mag plaatsvinden. In zoverre is geen sprake van verworven rechten en diende voorafgaand aan de uitbreiding zeker gesteld te zijn dat verstoring van het vliegverkeer zich niet zal voordoen. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan het betoog van de staatssecretaris dat het college gebonden is aan internationale verplichtingen tot het treffen van maatregelen aangaande activiteiten met vogelaantrekkende werking in de buurt van vliegvelden. Ten aanzien van de stelling van de staatssecretaris dat het college geen rekening heeft gehouden met toekomstige regelgeving, wordt overwogen dat de beoordeling van een bestemmingsplan door het college in beginsel op grond van de op dat moment geldende wet- en regelgeving dient te geschieden.

2.6. De conclusie is dat hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijven-2", ter plaatse van de gronden die gelegen zijn buiten het ten tijde van het bestreden besluit als zodanig in gebruik zijnde opslagterrein van [partij], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de staatssecretaris van Defensie gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 april 2009, kenmerk 1465193, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven-2", ter plaatse van de gronden die gelegen zijn buiten het ten tijde van het bestreden besluit als zodanig in gebruik zijnde opslagterrein van [partij];

III. verklaart het beroep van de staatssecretaris van Defensie voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de staatssecretaris van Defensie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de staatssecretaris van Defensie het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,-- (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010

45-629.